Art. 130 ARAR, Slot- en overgangsbepalingen

Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR)

1. Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de artikelen 21a, 57a, 57b, 98, 98b, 102, 102a en hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing zoals deze luidden op 30 november 2005, met dien verstande dat voor artikel 40b in genoemd hoofdstuk VI in de plaats treedt artikel 40b zoals dat thans luidt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

Uitspraken die dit artikel aanhalen