Art. 4 Vleeskeuringswet, De keuring
1. Slachtdieren zijn vóór en ná het slachten aan keuring onderworpen.
2. In nood gedode slachtdieren zijn aan de keuring ná het slachten onderworpen.
3. Gestorven of doodgeboren slachtdieren en vruchten welke bij het slachten worden aangetroffen, worden onbruikbaar gemaakt voor voedsel voor mens en dier.