Art. 236 Sr, Misdrijven tegen de burgerlijke staat
1. Hij die door enige handeling opzettelijk eens anders afstamming onzeker maakt, wordt, als schuldig aan verduistering van staat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.
3. Vervolging heeft niet plaats dan nadat een verzoek tot inroeping of tot betwisting van staat is gedaan en de burgerlijke rechter daarop een eindbeslissing heeft gegeven. Indien het verzoek echter door het stilzitten van partijen onvoldoende voortgang vindt, kan vervolging ook plaats hebben nadat de burgerlijke rechter heeft beslist dat er een begin van bewijs is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 24 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12780
- Rb. Den Haag 5 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6711
- Rb. 's-Hertogenbosch 31 juli 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ4904
- Rb. Noord-Holland 10 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13953
- Rb. Leeuwarden 29 september 2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ8794
- Rb. Leeuwarden 29 september 2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ8789
- Conclusie A-G Knigge 12 januari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK0969
- Conclusie A-G Wortel 17 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX7442
- Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 26 april 2019, ECLI:NL:OGEAM:2019:80
- Hof Den Haag 21 mei 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:670