Conclusie A-G Wortel 17 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX7442
Antilliaanse zaak. Fouillering o.g.v. bevel HovJ betreffende eenieder en elk voertuig vzv. aan bepaalde kenmerken is voldaan. Verdachte is kort na aankomst vanuit A’dam op de luchthaven Hato te Curaçao als inzittende van een auto ter controle staande gehouden. Bij onderzoek bleek hij het bewezenverklaarde geldbedrag bij zich te hebben en werd in de auto in een heuptasje een paspoort aangetroffen op naam van een ander maar met foto van verdachte. De staandehouding en het onderzoek werden door de politieambtenaren verricht in het kader van een grootschalige actie ter uitvoering van een bevel van de HOvJ. Bij de klacht dat het onderzoek geen toereikende wettelijke basis heeft en dat daarom niet is voldaan aan art. 8 EVRM, dient te worden vooropgesteld dat een jegens een burger uitgeoefende bevoegdheid waarmee inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer, moet zijn gebaseerd op een wettelijke regeling die toegankelijk is voor het publiek en die zodanig is geformuleerd dat een ieder de gevolgen van zijn handelen kan voorzien (vgl. EHRM 4 juni 2002, no. 37331/97 en no. 33129/96). Voor de beoordeling van de klacht is van belang dat de Opiumlandsverordening 1960 en de Vuurwapenverordening 1930 in de art. 10a, 10b en 10c respectievelijk 13c, 13d en 13e bij vervulling van bepaalde vereisten de bevoegdheden bevatten om in de daar nader omschreven gevallen te vorderen dat de verpakking van goederen, inclusief reisbagage, wordt geopend, om vervoermiddelen te onderzoeken en om te vorderen dat medewerking wordt verleend aan een onderzoek aan de kleding. Tevens is in deze artikelen voorzien dat de OvJ bij schriftelijk bevel kan gelasten dat deze bevoegdheden onder bepaalde omstandigheden tegen een ieder kunnen worden uitgeoefend. Deze regelingen, die openbaar zijn gemaakt, maken het aan een ieder mogelijk om zijn gedrag hierop af te stemmen en voldoen derhalve aan het vereiste van toegankelijkheid. Voorts zijn zij voldoende duidelijk om een belanghebbende in staat te stellen te voorzien welke gevolgen hem te wachten kunnen staan, i.h.b. dat hij kan worden staande gehouden voor een controle op de aanwezigheid van drugs en/of vuurwapens en dat de OvJ, als hij daar redenen voor heeft, kan bevelen dat die bevoegdheid tegen iedereen, onderscheidenlijk tegenover elk vervoermiddel kan worden aangewend. ‘s Hofs oordeel dat de uitgeoefende bevoegdheden een toereikende wettelijke grondslag hebben, is onjuist noch onbegrijpelijk. De klacht dat het uitoefenen van de bevoegdheden jegens verdachte disproportioneel was faalt omdat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit die disproportionaliteit zou kunnen blijken, terwijl ‘s Hofs oordeel dat het bevel van de HOvJ onder de daarin genoemde omstandigheden noodzakelijk is in een democratische samenleving a.b.i. art. 8.2 EVRM geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
De uitspraak op rechtspraak.nl