Art. 826 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rechtspleging in scheidingszaken
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. De voorlopige voorzieningen verliezen hun kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of zodra de mogelijkheid daartoe vervalt, met dien verstande dat:
a. de voorlopige voorziening bedoeld in artikel 822, eerste lid, onderdeel a, haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 266 lid 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat;
b. indien een verzoek tot voorziening in het gezag is gedaan of door de rechter ambtshalve in het gezag wordt voorzien, de voorlopige voorzieningen die op de kinderen betrekking hebben, hun kracht behouden totdat het gezag overeenkomstig artikel 253p van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is begonnen;
c. de voorlopige voorziening bedoeld in artikel 822, eerste lid, onderdeel e, haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 156 van het Eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat.
2. De voorlopige voorzieningen verliezen eveneens hun kracht zodra een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt ingetrokken, alsmede zodra een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt afgewezen, in kracht van gewijsde gaat.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414
- Hof Den Haag 11 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1871
- Hof Amsterdam 26 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1642
- Rb. Gelderland 28 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1074
- Conclusie A-G Langemeijer 19 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1485
- Conclusie A-G Langemeijer 10 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1253
- Hof 's-Hertogenbosch 22 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4202
- Rb. Rotterdam 13 mei 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:3902
- Rb. Noord-Holland 14 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:1685
- Rb. Limburg 11 juni 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:5770
- Conclusie 25 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:632
- Conclusie A-G Huydecoper 24 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR4484
- Hof 's-Hertogenbosch 20 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:635
- Hof 's-Gravenhage 25 juli 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0952
- Hof Den Haag 5 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2305
- Hof Den Haag 19 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:708
- Hof Den Haag 17 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1392
- Hof Den Haag 16 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3810
- Hof Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3094
- Hof Amsterdam 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2176