Art. 33 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Algemene voorschriften voor procedures
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement. Een gerecht kan een verzoek of mededeling dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden indien de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij daarvoor langs deze weg bereikbaar is. De bereikbaarheid langs deze weg geldt voor de duur van een procedure, tenzij de geadresseerde meedeelt dat hij haar wijzigt of intrekt. De voorgaande zinnen gelden mede voor de indiening van processtukken ter griffie en de verzending van processtukken door de griffier.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en de verzending van processtukken als bedoeld in het eerste lid en kunnen in verband met deze wijze van verzending nadere regels worden gesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en verzending van processtukken uitsluitend elektronisch kunnen plaatsvinden.
3. Als tijdstip waarop een verzoek, mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het verzoek, mededeling en processtuk een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht verantwoordelijkheid draagt. Verzendingen die voor 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend.
4. Als tijdstip waarop een verzoek, mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is verzonden, geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht geen verantwoordelijkheid draagt.
5. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
6. Indien niet is voldaan aan een verplichting tot het elektronisch verrichten van handelingen op grond van de wet dan wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid, stelt de rechter de desbetreffende partij of andere betrokkene in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door de rechter te bepalen termijn. Maakt eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter eiser of verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering of verzoek dan wel het stuk buiten beschouwing laten. Ook in andere gevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het verzuim te herstellen, kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.
7. In afwijking van de voorgaande leden kan de rechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1078
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:296
- Conclusie A-G Langemeijer 27 november 1998, ECLI:NL:PHR:1998:AD2977
- HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1641
- Conclusie A-G Snijders 16 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1179
- HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3614
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 2 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1139
- Conclusie A-G de Bock 24 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1228
- Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4100
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1773
- Hof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7691
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 19 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:76
- Conclusie A-G de Bock 15 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:568
- HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514
- Hof 's-Hertogenbosch 29 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1210
- Hof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10662
- Rb. Limburg 30 januari 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:782
- Rb. Den Haag 29 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21392
- Rb. Den Haag 20 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2742
- Conclusie A-G de Bock 28 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1305