Art. 251 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Verval van instantie
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. Indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is verricht, bepaalt de rechter op verlangen van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, een roldatum waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten of om vonnis te wijzen. De rechter kan hiertoe, eveneens na verloop van twaalf maanden, ook ambtshalve een roldatum bepalen.
2. De in het eerste lid bedoelde roldatum wordt in beide gevallen bepaald op een termijn van ten hoogste drie maanden.
3. Verval van instantie kan op de bepaalde roldatum slechts worden gevorderd indien het voornemen daartoe ten minste twee weken vóór die roldatum aan de nalatige partij is aangezegd.
4. De rechter wijst de vordering tot verval van instantie toe, tenzij voor of op die roldatum
a. de proceshandeling alsnog wordt verricht, of
b. de wederpartij van de partij die het verval vordert, aannemelijk maakt dat voor de vertraging van het geding een reden bestaat die deze in redelijkheid kan rechtvaardigen.
5. Indien op de ingevolge het eerste lid bepaalde roldatum de proceshandeling waarvoor de zaak staat niet alsnog is of wordt verricht, en voorts de wederpartij van degene die de proceshandeling moet verrichten geen verval van instantie vordert noch zich anderszins uitlaat over de voortgang van het geding als bedoeld in het eerste lid, wordt de zaak op de rol doorgehaald.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176
- HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 10 februari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU6519
- HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:596
- Conclusie A-G Huydecoper 22 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY5782
- HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7558
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7498
- Conclusie A-G Hartkamp 19 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3684
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 2 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU8176
- HR 23 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:112
- Hof 's-Gravenhage 1 februari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP7954
- Hof Arnhem 6 december 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BU7104
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA0467
- Hof Amsterdam 4 juni 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1459
- Hof Amsterdam 20 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3571
- Hof Amsterdam 23 augustus 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BW7109
- Rb. Rotterdam 16 mei 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW6301
- Rb. Overijssel 2 mei 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1717
- Rb. Den Haag 7 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5626
- Rb. Amsterdam 20 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3576