Art. 23 Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688, Voorschriften voor de verplaatsing van gehouden kameelachtigen naar andere lidstaten

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688

1. Exploitanten verplaatsen gehouden kameelachtigen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a) de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden kameelachtigen met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b) dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

d) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek bij kameelachtigen geen melding is gemaakt van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, en zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en in het geval van vrouwelijke dieren die pas hebben geworpen, op een monster dat ten minste 30 dagen na het werpen is genomen;

e) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar de in de inrichting gehouden kameelachtigen overeenkomstig bijlage II, deel 2, punten 1 en 2, ten minste in de laatste twaalf maanden voor het vertrek onderworpen zijn aan bewaking met betrekking tot infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis), en tijdens die periode

i) zijn alleen kameelachtigen uit inrichtingen waar de in dit punt vastgestelde maatregelen worden toegepast, in de onder a) bedoelde inrichting binnengebracht;

ii) zijn maatregelen overeenkomstig bijlage II, deel 2, punt 3, genomen wanneer infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij in de inrichting gehouden kameelachtigen is gemeld;

f) wanneer de dieren worden verplaatst naar een lidstaat of een zone daarvan met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectieuze boviene rhinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis bij runderen, zijn zij afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectieuze boviene rhinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis bij kameelachtigen;

g) de dieren zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin in de laatste twee jaar voor het vertrek in geen enkele inrichting melding is gemaakt van infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte;

h) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

i) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar vóór het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i) de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;

en

ii) de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;

j) tenzij de dieren overeenkomstig artikel 24 worden verplaatst, voldoen zij aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

k) aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.

2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op gehouden kameelachtigen die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 25.