Art. 21 Richtlijn (EU) 2020/262, Gebruik van het elektronische administratieve document voor goederen die worden uitgevoerd
1. In de in artikel 16, lid 1, onder a) iii), en v), bedoelde gevallen zenden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending het elektronische administratieve document toe aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de aangifte tot uitvoer is ingediend overeenkomstig artikel 221, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 (hierna de “lidstaat van uitvoer” genoemd), indien dit een andere lidstaat dan de lidstaat van verzending is.
2. De aangever verstrekt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van uitvoer de unieke administratieve referentiecode die de in de uitvoeraangifte bedoelde accijnsgoederen aangeeft.
3. De bevoegde autoriteiten in de lidstaten van uitvoer controleren vóór de vrijgave van de goederen voor uitvoer of de gegevens van het elektronische administratieve document met de gegevens in de uitvoeraangifte overeenkomen.
4. Bij eventuele inconsistenties tussen het elektronische administratieve document en de uitvoeraangifte, brengen de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van uitvoer de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van verzending hiervan met behulp van het geautomatiseerde systeem in kennis.
5. Indien de goederen het douanegrondgebied van de Unie niet langer verlaten, delen de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van uitvoer dit via het geautomatiseerde systeem mee aan de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van verzending, zodra zij ervan op de hoogte zijn dat de goederen het douanegrondgebied van de Unie niet langer verlaten. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending zenden de kennisgeving onverwijld door naar de afzender. Na ontvangst van de kennisgeving annuleert de afzender het elektronische administratieve document zoals voorgeschreven in artikel 20, lid 6, of wijzigt hij de bestemming van de goederen zoals voorgeschreven in artikel 20, lid 7.