Art. 5, Vervolgmaatregelen inzake residuen van in diergeneesmiddelen of als toevoegingsmiddel voor diervoeding toegelaten farmacologisch werkzame stoffen boven de toepasselijke maximumwaarde of maximumgehalten
1. Indien de op grond van Verordening (EG) nr. 470/2009 en Verordening (EG) nr. 1831/2003 vastgestelde maximumwaarden voor residuen van in diergeneesmiddelen of als toevoegingsmiddel voor diervoeding toegelaten farmacologisch werkzame stoffen, of de op grond van Verordening (EEG) nr. 315/93 vastgestelde maximumgehalten voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen als gevolg van niet te voorkomen versleping van die stoffen naar niet-doeldiervoeders, worden overschreden, ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat zij:
— alle karkassen of producten waarop de niet-naleving betrekking heeft, ongeschikt voor menselijke consumptie verklaart en de exploitant de opdracht geeft om alle producten als materiaal van categorie 2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 te verwijderen;
— alle andere maatregelen neemt die nodig zijn om de volksgezondheid te waarborgen, waaronder het gedurende een bepaalde periode verbieden dat dieren het betrokken bedrijf verlaten of dat producten het betrokken bedrijf of de betrokken inrichting verlaten;
— de exploitant opdracht geeft passende maatregelen te nemen om de oorzaken van de niet-naleving aan te pakken;
— aanvullende officiële controles verricht om te verifiëren dat de door de exploitant genomen maatregelen om de oorzaken van de niet-naleving aan te pakken, doeltreffend zijn. Daarbij kunnen zo veel vervolgmonsters worden genomen als nodig wordt geacht in verband met dieren of producten van hetzelfde bedrijf of dezelfde inrichting.
2. In geval van herhaaldelijke niet-naleving door dezelfde exploitant verricht de bevoegde autoriteit gedurende ten minste zes maanden vanaf de datum waarop het tweede geval van niet-naleving wordt vastgesteld regelmatige aanvullende controles, waaronder bemonstering en analyse van de dieren en producten van de betrokken exploitant. Eveneens gebiedt zij dat de exploitant ervoor zorgt dat de dieren en karkassen, vlees, slachtafval, bijproducten, melk, eieren en honing van die dieren gescheiden van andere dieren worden gehouden, en dat zij het bedrijf of de inrichting van herkomst niet verlaten en niet worden overhandigd aan enig ander persoon zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit.
3. Indien de exploitant nalaat om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan het gebod van de bevoegde autoriteit volgens dit artikel, neemt de bevoegde autoriteit op kosten van de exploitant maatregelen die hetzelfde effect sorteren.