Art. 2 Verordening (EU) 2019/1781, Toepassingsgebied

Verordening (EU) 2019/1781

(1) Deze verordening is van toepassing op de volgende producten:

(a) inductiemotoren zonder borstels, commutatoren, sleepringen of elektrische verbindingen met de rotor, bestemd voor gebruik met een sinusvormige spanning van 50 Hz, 60 Hz of 50/60 Hz, die:

(i) over twee, vier, zes of acht polen beschikken;

ii) een nominale spanning U N van meer dan 50 V en maximaal 1 000 V hebben;

iii) een nominaal uitgangsvermogen P N van minimaal 0,12 kW en maximaal 1 000 kW hebben;

iv) worden beoordeeld op basis van continubedrijf, en

v) bestemd zijn voor DOL-gebruik (direct online).

(b) snelheidsvariatoren met driefasige input die:

i) bestemd zijn voor gebruik met één motor als bedoeld onder a), binnen het bereik van 0,12 kW — 1 000 kW aan nominale output;

ii) een nominale spanning van meer dan 100 V en maximaal 1 000 V AC hebben;

iii) slechts één AC-uitgangsspanning hebben.

(2) De eisen van deel 1 van bijlage I en van deel 2, punten 1, 2, 5 t/m 11, en 13, van bijlage I zijn niet van toepassing op de volgende motoren:

(a) motoren die volledig in een product zijn geïntegreerd (bijvoorbeeld in een versnelling, een pomp, een ventilator of een compressor) en waarvan de energieprestaties niet onafhankelijk van dat product kunnen worden getest, zelfs niet met een tijdelijk lagerschild en tijdelijke aandrijfkop; de motor moet (verbindingen zoals bouten daargelaten) gemeenschappelijke onderdelen hebben met de aangedreven eenheid (zoals een as of behuizing) en mag niet zo zijn ontworpen dat de motor volledig van de aangedreven eenheid kan worden gescheiden en onafhankelijk kan werken. Het scheidingsproces leidt ertoe dat de motor niet werkt;

(b) motoren met een geïntegreerde snelheidsvariator (compacte snelheidsvariatoren) waarvan de energieprestaties niet onafhankelijk van de snelheidsvariator kunnen worden getest;

(c) motoren met een geïntegreerde rem die een integrerend onderdeel is van de binnenmotor en bij het testen van de motorefficiëntie niet kan worden verwijderd en niet door een afzonderlijke energiebron kan worden gevoed;

(d) motoren die specifiek ontworpen en bestemd zijn om uitsluitend te functioneren:

i) op een hoogte van meer dan 4 000 meter boven de zeespiegel;

ii) bij een omgevingstemperatuur van meer dan 60 °C;

iii) bij een maximumbedrijfstemperatuur van meer dan 400 °C;

iv) bij een omgevingstemperatuur van minder dan -30 °C, of

v) wanneer de temperatuur van het koelwater bij de inlaat van het product minder dan 0 °C of meer dan 32 °C bedraagt;

(e) motoren die specifiek ontworpen en bestemd zijn om te worden gebruikt terwijl ze volledig in een vloeistof zijn ondergedompeld;

(f) motoren die specifiek geschikt zijn om de nucleaire veiligheid te garanderen in kerninstallaties, zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (8);

(g) explosieveilige motoren die specifiek zijn ontworpen en gecertificeerd voor de mijnbouw, in de zin van bijlage I, punt 1, van Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (9);

(h) motoren in draadloze of op batterijen werkende apparatuur;

(i) motoren in in de hand gehouden apparatuur waarvan het gewicht bij het gebruik ervan met de hand wordt ondersteund;

(j) motoren in met de hand geleide mobiele apparatuur die wordt bewogen tijdens het gebruik;

(k) motoren met mechanische commutatoren;

(l) volledig gesloten motoren zonder ventilator (TENV);

(m) motoren die vóór 1 juli 2029 in de handel zijn gebracht als substituten voor identieke in producten ingebouwde motoren die vóór 1 juli 2022 uitdrukkelijk als zodanig in de handel zijn gebracht;

(n) motoren met verschillende snelheden, d.w.z. motoren met meerdere wikkelingen of een schakelbare wikkeling, die een verschillend aantal polen en snelheden bieden;

(o) motoren die speciaal zijn ontworpen voor de tractie van elektrische voertuigen.

(3) De eisen van deel 3 van bijlage I en van deel 4, punten 1, 2, 5 t/m 10, van bijlage I zijn niet van toepassing op de volgende snelheidsvariatoren:

(a) snelheidsvariatoren die in een product zijn ingebouwd en waarvan de energieprestaties niet onafhankelijk van het product kunnen worden getest, d.w.z. dat een poging daartoe ertoe zou leiden dat de snelheidsvariator of het product niet meer werkt;

(b) snelheidsvariatoren die specifiek geschikt zijn om de nucleaire veiligheid te garanderen in kerninstallaties, zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2009/71/Euratom;

(c) regeneratieve snelheidsvariatoren;

(d) snelheidsvariatoren met sinusoïdale ingangsstroom.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen