Art. 6 Verordening (EU) 2019/1111, Residuele bevoegdheid

Verordening (EU) 2019/1111

1. Behoudens lid 2 wordt, indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 3, 4 of 5 bevoegd is, de bevoegdheid in elke lidstaat bepaald door de wetgeving van die staat.

2. Een echtgenoot die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft, of onderdaan van een lidstaat is, kan slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.

3. Tegenover een verweerder die zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat heeft en die niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, kan een onderdaan van een lidstaat die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een andere staat heeft, evenals de onderdanen van die staat, zich beroepen op de aldaar geldende bevoegdheidsregels.