Art. 20 Verordening (EU) 2019/472, Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1139

Verordening (EU) 2019/472

Verordening (EU) 2016/1139 wordt als volgt gewijzigd:

1) Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2187/2005. Daarnaast wordt verstaan onder:

1. „pelagische bestanden”: de in artikel 1, lid 1, onder c) tot en met h), van deze verordening bedoelde bestanden of een combinatie van daar bedoelde bestanden;

2. „FMDO-bandbreedte”: een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is zo bepaald dat bij de toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

3. „MDO Flower”: de laagste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

4. „MDO Fupper”: de hoogste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

5. „FMDO-puntwaarde”: de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden de MDO op lange termijn oplevert;

6. „lagere FMDO-bandbreedte”: een bandbreedte die de waarden van MDO Flower tot de FMDO-puntwaarde omvat;

7. „hogere FMDO-bandbreedte”: een bandbreedte die de waarden van de FMDO-puntwaarde tot MDO Fupper omvat;

8. „Blim”: het referentiepunt voor de paaibiomassa van een bestand, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder er sprake kan zijn van een verminderde reproductiecapaciteit;

9. „MDO Btrigger”: het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;

10. „betrokken lidstaten”: lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer, namelijk Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden.”.

2) Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Streefdoelen

1. Het streefdoel voor visserijsterfte binnen de FMDO-bandbreedtes zoals gedefinieerd in artikel 2, wordt voor de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 bereikt en wordt van dan af in overeenstemming met dit artikel gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes.

2. Met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt verzocht de FMDO-bandbreedtes op basis van het plan te verstrekken.

3. Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de vangstmogelijkheden voor een bestand vaststelt, stelt hij die mogelijkheid vast binnen de lagere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand.

4. Niettegenstaande de leden 1 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld op een niveau dat lager ligt dan de FMDO-bandbreedte.

5. Niettegenstaande de leden 3 en 4 kunnen de vangstmogelijkheden voor een in artikel 1, lid 1, genoemd bestand worden vastgesteld binnen de hogere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand, mits dat bestand zich boven MDO Btrigger bevindt:

a) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;

b) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c) om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

6. De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder de Blim belandt, minder dan 5 % bedraagt.”.

3) In hoofdstuk III wordt na artikel 4 het volgende artikel ingevoegd:

„Artikel 4 bis

Instandhoudingsreferentiepunten

Op basis van dit plan worden bij met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, de volgende instandhoudingsreferentiepunten aangevraagd om de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden niet aan te tasten:

a) MDO Btrigger voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden;

b) Blim voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden.”.

4) Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

Vrijwaringsmaatregelen

1. Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MDO Btrigger, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden, niettegenstaande artikel 4, lid 3, vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot een waarde onder de hogere FMDO-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

2. Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, niettegenstaande artikel 4, lid 3, inhouden dat de gerichte visserij op het bestand wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

3. De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:

a) noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b) maatregelen krachtens de artikelen 7 en 8 van deze verordening.

4. Bij de keuze van de in dit artikel bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa zich onder de in artikel 4 bis bedoelde niveaus bevindt.”.

5) Aan artikel 7 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3. De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad beperkingen vaststelt voor recreatievissers.”.

6) De bijlagen I en II worden geschrapt.

Vorige artikelen

Volgende artikelen