Art. 26 Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331, Stopzetting van de activiteiten van een installatie

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331

1. Een installatie wordt geacht haar activiteiten te hebben stopgezet als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de relevante vergunning voor broeikasgasemissies is ingetrokken, onder meer als de activiteiten van de installatie niet langer aan de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG vermelde drempelwaarden voldoen;

b) de installatie is niet meer in bedrijf en het is technisch onmogelijk om haar opnieuw op te starten.

2. Als de activiteiten van een installatie zijn stopgezet, verleent de betrokken lidstaat aan deze installatie geen emissierechten vanaf het jaar volgend op het jaar waarin de activiteiten werden stopgezet.

3. De lidstaten mogen de verlening van emissierechten aan installaties die hun werkzaamheden hebben gestaakt, opschorten zolang niet vaststaat dat zij opnieuw opgestart zullen worden.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen