Art. 15 Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331, Historisch activiteitsniveau voor gevestigde installaties
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331
1. De lidstaten beoordelen de overeenkomstig artikel 4, lid 2, ingediende verslagen met referentiegegevens en verificatieverslagen om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming zijn met de eisen van deze verordening. Voor zover nodig zal de bevoegde autoriteit exploitanten verzoeken om correctie van eventuele afwijkingen of fouten die van invloed zijn op het bepalen van de historische activiteitsniveaus. De bevoegde autoriteit kan exploitanten verzoeken om, naast de overeenkomstig artikel 4, lid 2, ingediende informatie en documenten, meer gegevens te verstrekken.
2. Op grond van de beoordeelde verslagen met referentiegegevens en verificatieverslagen bepalen de lidstaten de historische activiteitsniveaus van elke subinstallatie en installatie voor de desbetreffende referentieperiode. De lidstaten mogen enkel besluiten tot bepaling van de historische activiteitsniveaus indien de gegevens die betrekking hebben op de installatie zijn geverifieerd en bevredigend zijn bevonden of indien zij hebben vastgesteld dat het ontbreken van de gegevens dat tot het oordeel van de verificateur heeft geleid, te wijten is aan uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden die ook met de grootst mogelijke zorgvuldigheid niet konden worden vermeden.
3. Onder productgerelateerd historisch activiteitsniveau wordt, voor elk product waarvoor een in bijlage I opgenomen productbenchmark is vastgesteld, verstaan het rekenkundig gemiddelde van de historische jaarproductie van dat product in de betrokken installatie tijdens de referentieperiode.
4. Onder warmtegerelateerd historisch activiteitsniveau wordt verstaan het rekenkundig gemiddelde, tijdens de referentieperiode, van de historische jaarinvoer uit een onder de EU-ETS vallende installatie, of de productie, of beide, van netto meetbare warmte die binnen de grenzen van de installatie verbruikt werd voor de vervaardiging van producten, voor de productie van andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte mechanische energie of voor andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte verwarming of koeling, of die werd uitgevoerd naar een niet onder de EU-ETS vallende installatie of andere entiteit, met uitzondering van de uitvoer voor elektriciteitsopwekking, uitgedrukt in terajoule per jaar.
Onder stadsverwarminggerelateerd historisch activiteitsniveau wordt verstaan het rekenkundig gemiddelde, tijdens de referentieperiode, van de historische jaarinvoer uit een onder de EU-ETS vallende installatie, of de productie, of beide, van meetbare warmte die wordt uitgevoerd ten behoeve van stadsverwarming, uitgedrukt in terajoule per jaar.
5. Onder brandstofgerelateerd historisch activiteitsniveau wordt verstaan het rekenkundig gemiddelde, tijdens de referentieperiode, van het jaarlijkse historische brandstofverbruik voor de productie van niet-meetbare warmte die werd verbruikt voor de vervaardiging van producten, voor de productie van andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte mechanische energie of voor andere dan voor elektriciteitsopwekking gebruikte verwarming of koeling, met inbegrip van veiligheidsaffakkeling, uitgedrukt in terajoule per jaar.
6. Voor de procesemissies die gepaard gaan met de vervaardiging van producten in de betrokken installatie tijdens de referentieperiode, wordt onder procesgerelateerd historisch activiteitsniveau verstaan het rekenkundig gemiddelde van de historische jaarlijkse procesemissies, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalent.
7. Voor de bepaling van de waarden van het rekenkundig gemiddelde bedoeld in de leden 3 tot en met 6 worden enkel kalenderjaren in aanmerking genomen waarin de installatie ten minste één dag in bedrijf was.
Indien een subinstallatie tijdens de desbetreffende referentieperiode minder dan twee kalenderjaren in bedrijf is geweest, zijn de historische activiteitsniveaus gelijk aan de activiteitsniveaus van het eerste kalenderjaar na aanvang van de normale werking van deze subinstallatie.
Indien een subinstallatie tijdens de referentieperiode nog geen kalenderjaar in bedrijf is geweest na aanvang van de normale werking, wordt het historisch activiteitsniveau vastgesteld nadat het verslag over het activiteitsniveau na het eerste kalenderjaar na aanvang van de normale werking is ingediend.
8. In afwijking van lid 3 bepalen de lidstaten het productgerelateerde historische activiteitsniveau voor producten waarop de in bijlage III opgenomen productbenchmarks van toepassing zijn, op basis van het rekenkundig gemiddelde van de historische jaarproductie in overeenstemming met de in die bijlage weergegeven formules.