Art. 10 Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331, Opsplitsing in subinstallaties

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331

1. Ten behoeve van de gegevensrapportage en monitoring splitst de exploitant elke krachtens artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG voor de kosteloze toewijzing van emissierechten in aanmerking komende installatie op in subinstallaties. Hiertoe worden de inputs, outputs en emissies van de installatie toegewezen aan een of meer subinstallaties door, indien nodig, een methode vast te stellen voor het kwantificeren van de specifieke aandelen van de betreffende inputs, outputs en emissies die aan de afzonderlijke subinstallaties moeten worden toegewezen.

2. Voor het toekennen van inputs, outputs en emissies van de installatie aan subinstallaties zet de exploitant de onderstaande stappen in afnemende volgorde:

a) indien in de installatie een van de producten wordt vervaardigd waarvoor in bijlage I productbenchmarks zijn gespecificeerd, kent de exploitant de betreffende inputs, outputs en emissies toe aan de productbenchmark-subinstallaties, naargelang het geval, door toepassing van de regels in bijlage VII;

b) indien in de installatie sprake is van voor warmtebenchmark- of stadsverwarming-subinstallaties in aanmerking komende inputs, outputs en emissies die niet in aanmerking komen voor de onder a) genoemde subinstallaties, kent de exploitant deze toe aan warmtebenchmark-subinstallaties of aan stadsverwarming-subinstallaties, naargelang het geval, door toepassing van de regels in bijlage VII;

c) indien in de installatie sprake is van voor brandstofbenchmark-subinstallaties in aanmerking komende inputs, outputs en emissies die niet in aanmerking komen voor de onder a) of b) genoemde subinstallaties, kent de exploitant deze toe aan brandstofbenchmark-subinstallaties, naargelang het geval, door toepassing van de regels in bijlage VII;

d) indien in de installatie sprake is van voor procesemissies-subinstallaties in aanmerking komende inputs, outputs en emissies die niet in aanmerking komen voor de onder a), b) of c) genoemde subinstallaties, kent de exploitant deze toe aan procesemissies-subinstallaties, naargelang het geval, door toepassing van de regels in bijlage VII.

3. Voor warmtebenchmark-, brandstofbenchmark- en procesemissies-subinstallaties maakt de exploitant op basis van NACE- en Prodcom-codes een duidelijk onderscheid tussen processen die wél en processen die niet in dienst staan van een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald overeenkomstig artikel 10 ter, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG. Daarnaast maakt de exploitant onderscheid tussen de hoeveelheid meetbare warmte die ten behoeve van stadsverwarming wordt uitgevoerd en meetbare warmte die niet in dienst staat van een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald overeenkomstig artikel 10 ter, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG.

Wanneer ten minste 95 % van het activiteitsniveau van de warmtebenchmark-subinstallaties, van de brandstofbenchmark-subinstallaties of van de procesemissies-subinstallaties in dienst staat van bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald overeenkomstig artikel 10 ter, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG, of wanneer ten minste 95 % van het activiteitsniveau van de warmtebenchmark-subinstallaties, van de brandstofbenchmark-subinstallaties of van de procesemissies-subinstallaties in dienst staat van bedrijfstakken of deeltakken die niet worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, is de exploitant vrijgesteld van het verstrekken van gegevens die nodig zijn om een onderscheid te maken op grond van het CO2-weglekrisico.

Indien ten minste 95 % van het activiteitsniveau van de stadsverwarming-subinstallaties of de warmtebenchmark-subinstallaties aan een van deze subinstallaties kan worden toegerekend, mag de exploitant het totale activiteitsniveau van deze subinstallaties toekennen aan de subinstallatie met het hoogste activiteitsniveau.

4. Wanneer een in de EU-ETS opgenomen installatie meetbare warmte heeft geproduceerd en uitgevoerd naar een niet in de EU-ETS opgenomen installatie of andere entiteit, gaat de exploitant ervan uit dat het betrokken proces van de warmtebenchmark-subinstallatie voor deze warmte niet in dienst staat van een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald overeenkomstig artikel 10 ter, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG, tenzij de exploitant ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat de verbruiker van de meetbare warmte behoort tot een bedrijfstak of deeltak die wordt geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zoals bepaald overeenkomstig artikel 10 ter, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG.

Ter bepaling van aan stadsverwarming-subinstallaties toe te kennen meetbare warmte, toont de exploitant ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de meetbare warmte naar de stadsverwarming wordt uitgevoerd.

5. Bij de opsplitsing overeenkomstig de leden 1 en 2 draagt de exploitant zorg voor al het volgende:

a) de fysieke producten van elke installatie worden toegekend aan één subinstallatie, zonder omissies of dubbeltellingen;

b) 100 % van de hoeveelheid van alle bronstromen en emissies van de installatie als vermeld in het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 601/2012 goedgekeurde monitoringplan van de installatie wordt, zonder omissies of dubbeltellingen, toegekend aan subinstallaties, tenzij die bronstromen en emissies betrekking hebben op een proces dat niet in aanmerking komt voor kosteloze toewijzing, zoals elektriciteitsopwekking in de installatie, affakkeling anders dan veiligheidsaffakkeling die niet onder een productbenchmark-subinstallatie valt, of de productie van meetbare warmte die naar andere EU-ETS-installaties wordt uitgevoerd;

c) 100 % van de hoeveelheid in de installatie geproduceerde netto meetbare warmte die in aanmerking komt voor kosteloze toewijzing, of door de installatie wordt in- of uitgevoerd, alsook hoeveelheden die tussen subinstallaties worden overgeheveld, wordt toegekend aan subinstallaties, zonder omissies of dubbeltellingen;

d) voor alle door subinstallaties geproduceerde, ingevoerde of uitgevoerde meetbare warmte wordt bijgehouden of de meetbare warmte is geproduceerd in een verbrandingsproces in een EU-ETS-installatie, is ingevoerd uit andere warmteproducerende processen of is ingevoerd uit niet onder de EU-ETS vallende entiteiten;

e) indien in de installatie elektriciteit wordt opgewekt, worden de hoeveelheden die in de productbenchmark-subinstallaties worden opgewekt aan deze subinstallaties toegekend, zonder omissies of dubbeltellingen;

f) voor elke productbenchmark-subinstallatie waarbij overeenkomstig punt 2 van bijlage I sprake is van uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit, wordt de betreffende hoeveelheid verbruikte elektriciteit afzonderlijk vermeld en toegekend;

g) indien een subinstallatie outputs kent van koolstofhoudende materialen in de vorm van uitgevoerde brandstoffen, producten, bijproducten, grondstoffen voor andere subinstallaties of installaties, of afgassen, worden die outputs, voor zover ze niet onder b) vallen, toegekend aan subinstallaties, zonder omissies of dubbeltellingen;

h) CO2-emissies die zich buiten de systeemgrenzen van een productbenchmark-subinstallatie voordoen en het gevolg zijn van de onder artikel 2, punt 10, onder a) tot en met f), genoemde processen, worden toegewezen aan een procesemissies-subinstallatie voor zover ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan worden aangetoond dat deze emissies een rechtstreeks en onmiddellijk gevolg zijn van een van de in artikel 2, punt 10, genoemde processen en dat zij niet het gevolg zijn van verdere oxidatie van onvolledig geoxideerde koolstof in gasvormige toestand onder standaardomstandigheden;

i) indien CO2-emissies door de verbranding van afgas die niet bedoeld is voor de productie van meetbare warmte, niet-meetbare warmte of elektriciteit zich buiten de systeemgrenzen van een productbenchmark-subinstallatie voordoen als gevolg van de in artikel 2, punt 10, onder a) tot en met f), genoemde processen, wordt 75 % van de hoeveelheid van het koolfstofgehalte van het afgas beschouwd als zijnde omgezet in CO2 en toegewezen aan een procesemissies-subinstallatie;

j) ter voorkoming van dubbeltellingen worden, voor zover van toepassing, door een productieproces voortgebrachte producten die voor hetzelfde productieproces worden gebruikt in mindering gebracht op de jaarlijkse activiteitsniveaus, overeenkomstig de in bijlage I opgenomen productdefinities;

k) ter voorkoming van dubbeltellingen wordt, indien meetbare warmte wordt teruggewonnen uit processen die onder een brandstofbenchmark-subinstallatie vallen, de door een standaardrendement van 90 % gedeelde hoeveelheid netto meetbare warmte in mindering gebracht op de brandstofinput. Terugwinning van warmte uit de processen die onder een procesemissies-subinstallatie vallen, wordt op dezelfde wijze behandeld.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen