Art. 62 Richtlijn (EU) 2019/2034, Wijzigingen in Richtlijn 2013/36/EU

Richtlijn (EU) 2019/2034

Richtlijn 2013/36/EU wordt als volgt gewijzigd:

1) De titel wordt vervangen door:

“Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG”.

2) Artikel 1 wordt vervangen door:

“Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

a) toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen;

b) toezichtsbevoegdheden en ‐instrumenten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten;

c) het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten op een wijze die strookt met de voorschriften die in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd;

d) openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op kredietinstellingen.”.

3) Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a) de leden 2 en 3 worden geschrapt;

b) in lid 5 wordt punt 1 geschrapt;

c) lid 6 wordt vervangen door:

“6. De entiteiten, bedoeld in lid 5, punten 3 tot en met 24, van dit artikel, worden, voor de toepassing van artikel 34 en titel VII, hoofdstuk 3, als financiële instellingen behandeld.”.

4) In artikel 3, lid 1, wordt punt 4 geschrapt.

5) Artikel 5 wordt vervangen door:

“Artikel 5

Coördinatie binnen de lidstaten

Lidstaten die meer dan één bevoegde autoriteit hebben voor het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de nodige maatregelen om de coördinatie tussen dergelijke autoriteiten te organiseren.”.

6) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 8 bis

Specifieke vereisten voor vergunningverlening aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

1. De lidstaten verplichten de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die reeds een vergunning hebben verkregen overeenkomstig titel II van Richtlijn 2014/65/EU, ertoe overeenkomstig artikel 8 een vergunningaanvraag in te dienen, uiterlijk op de dag waarop een van de volgende gebeurtenissen plaatsvindt:

a) het gemiddelde van de maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard EUR, of

b) het gemiddelde van de maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen in de groep, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard EUR aan totale activa bezitten en die een van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten verrichten, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR, beide berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden.

2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat zij de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning verkrijgen.

3. In afwijking van lid 1 van dit artikel dienen de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die op 24 december 2019 activiteiten verrichten als beleggingsonderneming waaraan overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, uiterlijk op 27 december 2020 een vergunningsaanvraag in overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn.

4. Indien de bevoegde autoriteit, nadat zij de in artikel 95 bis van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie heeft ontvangen, bepaalt dat aan een onderneming een vergunning als kredietinstelling moet worden verleend overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn, stelt zij de onderneming en de in artikel 4, lid 1, punt 26, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde bevoegde autoriteit daarvan in kennis en neemt zij de vergunningsprocedure vanaf de datum van deze kennisgeving over.

5. In het geval van een hervergunning garandeert de bevoegde autoriteit die de vergunning verleent, dat de procedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie van bestaande vergunningen.

6. EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) de informatie die door de onderneming in de vergunningaanvraag aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt, met inbegrip van het in artikel 10 bedoelde programma van werkzaamheden;

b) de methode voor de berekening van de in lid 1 bedoelde drempels.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 december 2020 bij de Commissie in.”.

7) In artikel 18 wordt het volgende punt ingevoegd:

“a bis)

haar vergunning uitsluitend gebruikt om de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uit te oefenen en gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren gemiddelde totale activa onder de in dat artikel bedoelde drempels heeft;”.

8) Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 2 wordt vervangen door:

“2. EBA maakt een lijst met de namen van alle kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend bekend op haar website, en werkt deze lijst ten minste één keer per jaar bij.”;

b) het volgende lid wordt ingevoegd:

“3 bis. De lijst, bedoeld in lid 2 van dit artikel bevat de naam van ondernemingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en merkt deze kredietinstellingen als zodanig aan. De lijst geeft ook aan welke wijzigingen er zijn in vergelijking met de voorgaande versie van de lijst.”.

9) In artikel 21 ter wordt lid 5 vervangen door:

“5. Voor de toepassing van dit artikel:

a) is de totale waarde van de activa in de Unie van de groep uit een derde land de som van:

i) de totale waarde van de activa van elke instelling in de Unie van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of uit haar afzonderlijke balans ingeval de balans van een instelling niet wordt geconsolideerd, en

ii) de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (*8) of Richtlijn 2014/65/EU;

b) heeft de term “instelling” ook betrekking op beleggingsondernemingen.

(*8) Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).”."

10) Titel IV wordt geschrapt.

11) In artikel 51, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

“1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen, in gevallen waarin artikel 112, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder, of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, verzoeken een bijkantoor van een kredietinstelling als significant aan te merken.”.

12) In artikel 53 wordt lid 2 vervangen door:

“2. Lid 1 belet de bevoegde autoriteiten niet om met elkaar informatie uit te wisselen of informatie door te geven aan het ESRB, EBA of de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority; ESMA)), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (*9), overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 575/2013, Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*10), artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, de artikelen 31, 35 en 36 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en de artikelen 31 en 36 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*11) en andere op kredietinstellingen toepasselijke richtlijnen. Die informatie is onderworpen aan lid 1.

(*9) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84)."

(*10) Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1)."

(*11) Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).”."

13) In artikel 66, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd:

“a bis)

ten minste één van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uitoefenen en de in dat artikel vastgestelde drempels halen zonder een vergunning als kredietinstelling te hebben;”.

14) In artikel 76, lid 5, wordt de zesde alinea geschrapt.

15) In artikel 86 wordt lid 11 vervangen door:

“11. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen over liquiditeitsherstelplannen met deugdelijke strategieën en uitvoeringsmaatregelen beschikken om mogelijke liquiditeitstekorten het hoofd te kunnen bieden, ook in bijkantoren die in een andere lidstaat zijn gevestigd. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat deze plannen ten minste jaarlijks door de instellingen worden getest, worden bijgewerkt op basis van de resultaten van de in lid 8 bedoelde alternatieve scenario's en worden gemeld aan en goedgekeurd door de directie, zodat interne beleidslijnen en processen dienovereenkomstig kunnen worden aangepast. De instellingen nemen van tevoren de nodige operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat liquiditeitsherstelplannen onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Deze operationele maatregelen behelzen onder meer het aanhouden van zekerheden die onmiddellijk beschikbaar zijn voor centralebankfinanciering. Dit betekent onder meer dat, indien nodig, zekerheden worden aangehouden in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land waar de instelling blootstellingen heeft en, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of van een derde land in de valuta waaraan zij is blootgesteld.”.

16) In artikel 110 wordt lid 2 geschrapt.

17) Artikel 111 wordt vervangen door:

“Artikel 111

Bepaling van de consoliderende toezichthouder

1. Indien een moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat of een EU-moederkredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op die moederkredietinstelling in de lidstaat of die EU‐moederkredietinstelling op individuele basis toezicht houdt.

Indien een moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EU-moederbeleggingsonderneming is en geen van haar dochterbedrijven een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op die moederbeleggingsonderneming in de lidstaat of die EU-moederbeleggingsonderneming op individuele basis toezicht houdt.

Indien een moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EU-moederbeleggingsonderneming is, en ten minste een van haar dochterondernemingen een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling, of indien er verschillende kredietinstellingen zijn, de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal.

2. Indien de moederonderneming van een kredietinstelling of een beleggingsonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op de kredietinstelling of beleggingsonderneming op individuele basis toezicht houdt.

3. Indien twee of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen waaraan in de Unie een vergunning is verleend, dezelfde financiële moederholding in een lidstaat, gemengde financiële moederholding in een lidstaat, financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door:

a) de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling indien er slechts één kredietinstelling binnen de groep is;

b) de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien er meerdere kredietinstellingen binnen de groep zijn, of

c) de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, indien de groep geen kredietinstelling omvat.

4. Indien op grond van artikel 18, lid 3 of lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 consolidatie is vereist, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal of, indien tot de groep geen kredietinstellingen behoren, door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.

5. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van lid 1, derde alinea, lid 3, onder b), en lid 4, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die aan toezicht onderworpen kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt gehouden.

Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één beleggingsonderneming binnen een groep, is, in afwijking van lid 3, onder c), de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer beleggingsondernemingen binnen de groep met het hoogste geaggregeerde balanstotaal.

6. In bijzondere gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te zien van de criteria in de leden 1, 3 en 4 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om op geconsolideerde basis toezicht te houden indien de toepassing van de daarin bedoelde criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen of beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten, of omdat de continuïteit van het toezicht op geconsolideerde basis door dezelfde bevoegde autoriteit moet worden gegarandeerd. In dergelijke gevallen heeft de EU-moederinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-moederholding of de kredietinstelling of beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.

7. Indien de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 6 onderling afspraken hebben gemaakt, brengen zij de Commissie en EBA daarvan onverwijld op de hoogte.”.

18) In artikel 114, lid 1, wordt de derde alinea vervangen door:

“1. Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of een situatie van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kan ondermijnen in een van de lidstaten waar aan entiteiten van een groep vergunning is verleend of significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, waarschuwt de consoliderende toezichthouder, met inachtneming van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling 2, van deze richtlijn, en, indien van toepassing, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033 zo spoedig mogelijk EBA en de in artikel 58, lid 4, en artikel 59 bedoelde autoriteiten en deelt hij alle informatie mee die voor de uitoefening van hun taken van essentieel belang is. Deze verplichtingen gelden voor alle bevoegde autoriteiten.”.

19) Artikel 116 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 2 wordt vervangen door:

“2. De bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van toezichthouders en EBA werken nauw samen. De geheimhoudingsvereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033 beletten de bevoegde autoriteiten niet binnen colleges van toezichthouders vertrouwelijke informatie uit te wisselen. De oprichting en de werking van colleges van toezichthouders doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013.”;

b) in lid 6 wordt de eerste alinea vervangen door:

“6. De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, en de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, eventueel centrale banken van het ESCB, alsook, in voorkomend geval en onder voorbehoud van geheimhoudingsvereisten die naar het oordeel van alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn met de vereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, kunnen aan de colleges van toezichthouders deelnemen.”;

c) in lid 9 wordt de eerste alinea vervangen door:

“9. De consoliderende toezichthouder stelt, onverminderd de geheimhoudingsvereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, EBA in kennis van de activiteiten van het college van toezichthouders, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt EBA alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van bijzonder belang is.”.

20) In artikel 125 wordt lid 2 vervangen door:

“2. De in het kader van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen informatie, met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, is onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, van deze richtlijn bedoelde vereisten voor kredietinstellingen of die uit hoofde van artikel 15 van Richtlijn (EU) 2019/2033.”.

21) In artikel 128 wordt de vijfde alinea geschrapt.

22) In artikel 129 worden de leden 2, 3 en 4 geschrapt.

23) In artikel 130 worden de leden 2, 3 en 4 geschrapt.

24) In artikel 143, lid 1, wordt punt d) vervangen door;

“d) onverminderd het bepaalde in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van het prudentiële kader in elke lidstaat, met inbegrip van het aantal en de aard van de toezichtsmaatregelen die overeenkomstig artikel 102, lid 1, onder a), van deze richtlijn zijn genomen, en van de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 65 van deze richtlijn zijn opgelegd.”.