Art. 21 Verordening (EU) 2018/1805, Uitstel van de tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen

Verordening (EU) 2018/1805

1. De uitvoerende autoriteit kan de erkenning of de tenuitvoerlegging van een overeenkomstig artikel 14 toegezonden confiscatiebevel uitstellen, indien:

a) de tenuitvoerlegging een lopend strafrechtelijk onderzoek kan schaden, in welk geval de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel kan worden uitgesteld zolang de uitvoerende autoriteit dat redelijkerwijs noodzakelijk acht;

b) in het geval van een confiscatiebevel dat betrekking heeft op een geldsom, de uitvoerende autoriteit van mening is dat het risico bestaat dat het totale bedrag van de opbrengst van de tenuitvoerlegging van dat confiscatiebevel aanzienlijk hoger zal zijn dan het in het confiscatiebevel bepaalde bedrag, wegens gelijktijdige tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in meer dan één lidstaat;

c) het voorwerp reeds het voorwerp is van een lopende confiscatieprocedure in de uitvoerende staat; of

d) een in artikel 33 bedoeld rechtsmiddel wordt ingeroepen.

2. Niettegenstaande artikel 18, lid 5, neemt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat voor de duur van het uitstel van het confiscatiebevel alle maatregelen die zij in een vergelijkbaar binnenlands geval zou nemen om te voorkomen dat de voorwerpen niet langer beschikbaar zijn voor de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel.

3. De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit onverwijld en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van het uitstel van de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel, met inbegrip van de gronden voor het uitstel en indien mogelijk de verwachte duur ervan.

4. Zodra er geen gronden voor uitstel meer zijn, neemt de uitvoerende autoriteit onverwijld de nodige maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel en stelt zij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.