Art. 10 Verordening (EU) 2018/1805, Uitstel van de tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen
1. De uitvoerende autoriteit kan de tenuitvoerlegging van een overeenkomstig artikel 4 toegezonden bevriezingsbevel uitstellen indien:
a) de tenuitvoerlegging een lopend strafrechtelijk onderzoek kan schaden, in welk geval de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel kan worden uitgesteld zolang de uitvoerende autoriteit dat redelijkerwijs noodzakelijk acht;
b) met betrekking tot het voorwerp reeds een bevriezingsbevel is uitgevaardigd, in welk geval de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel kan worden uitgesteld totdat dat bestaand bevel is ingetrokken; of
c) met betrekking tot het voorwerp reeds een bevriezingsbevel is uitgevaardigd in de loop van een andere procedure in de uitvoerende staat, in welk geval de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel kan worden uitgesteld totdat het bestaande bevel is ingetrokken; dit punt is echter alleen van toepassing als het bestaand bevel krachtens het nationale recht voorrang heeft boven latere nationale bevriezingsbevelen in strafzaken.
2. De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit onmiddellijk en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van het uitstel van de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel, met nadere bepaling van de gronden voor het uitstel en indien mogelijk van de verwachte duur van het uitstel.
3. Zodra er geen gronden voor uitstel meer zijn, neemt de uitvoerende autoriteit onmiddellijk de maatregelen die nodig zijn om het bevriezingsbevel ten uitvoer te leggen en stelt zij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis op zodanige wijze dat dit schriftelijk kan worden vastgelegd.