Art. 26 Verordening (EU) 2018/1726, Plaatsvervangend uitvoerend directeur
1. De uitvoerend directeur wordt bijgestaan door een plaatsvervangend uitvoerend directeur. Deze laatste vervangt tevens de uitvoerend directeur bij diens afwezigheid. De uitvoerend directeur stelt de taken van de plaatsvervangend uitvoerend directeur vast.
2. De raad van bestuur benoemt, op voorstel van de uitvoerend directeur, de plaatsvervangend uitvoerend directeur. De plaatsvervangend uitvoerend directeur wordt benoemd op grond van zijn verdiensten en passende bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, met inbegrip van relevante beroepservaring. De uitvoerend directeur stelt ten minste drie kandidaten voor de post van plaatsvervangend uitvoerend directeur voor. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden. De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de plaatsvervangend uitvoerend directeur te ontslaan bij besluit dat wordt genomen met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden.
3. De ambtstermijn van de plaatsvervangend uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. De raad van bestuur kan deze ambtstermijn eenmaal verlengen met ten hoogste vijf jaar. De raad van bestuur neemt een dergelijk besluit met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden.