Art. 3 Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177, Definities
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) „basisdienst”: een dienst die is verricht in een van de dienstvoorzieningen als genoemd in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU;
2) „spoorgebonden dienst”: een basisdienst, aanvullende dienst of ondersteunende dienst als genoemd in de punten 2, 3 en 4 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU;
3) „beschrijving van de dienstvoorziening”: een document waarin alle informatie wordt verstrekt die nodig is voor de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten;
4) „capaciteit van de dienstvoorziening”: de mogelijkheid om gedurende een bepaalde periode gebruik te maken van een dienstvoorziening en een dienst te verlenen, rekening houdend met de tijd die nodig is om de dienstvoorziening te bereiken en te verlaten;
5) „coördinatieprocedure”: de procedure waarmee de exploitant van een dienstvoorziening en aanvragers een oplossing trachten te vinden voor situaties waarin behoeften aan toegang tot een dienstvoorziening of spoorgebonden diensten betrekking hebben op dezelfde capaciteit van een dienstvoorziening en onverenigbaar zijn;
6) „onderling verbonden dienstvoorzieningen”: naburige dienstvoorzieningen waarbij een voorziening moet worden doorkruist om de andere te bereiken;
7) „controlerende entiteit”: een instantie of onderneming die de directe of indirecte zeggenschap uitoefent over een exploitant van een dienstvoorziening en die ook actief is en een dominante positie bezit op de nationale markt voor spoorvervoersdiensten waarvoor de voorziening wordt gebruikt, dan wel de directe of indirecte zeggenschap uitoefent over een exploitant van een dienstvoorziening en over een spoorwegonderneming die een dergelijke positie bezit;
8) „zelfvoorziening van diensten”: een situatie waarin een spoorwegonderneming zelf een spoorgebonden dienst verricht op de terreinen van een exploitant van een dienstvoorziening, op voorwaarde dat de toegang tot en het gebruik van de faciliteit door de spoorwegonderneming met het oog op de zelfvoorziening van diensten juridisch en technisch haalbaar is, geen gevaar oplevert voor de veiligheid van de activiteiten en de exploitant van de betrokken dienstvoorziening die mogelijkheid biedt;
9) „herbestemming”: het formele proces waarbij de dienstvoorziening een andere bestemming krijgt dan het verlenen van spoorgebonden diensten;
10) „ad-hocverzoek”: een verzoek om toegang tot een dienstvoorziening of een spoorgebonden dienst dat gekoppeld is aan een ad-hocaanvraag van een afzonderlijk treinpad als bedoeld in artikel 48, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU;
11) „laattijdig verzoek”: een verzoek om toegang tot een dienstvoorziening of een spoorgebonden dienst dat na het verstrijken van de door de exploitant van de betrokken voorziening vastgestelde aanvraagtermijn wordt ingediend.