Art. 2 Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177, Vrijstellingen
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177
1. Exploitanten van dienstvoorzieningen als bedoeld in lid 2 kunnen verzoeken te worden vrijgesteld van de toepassing van alle of van een deel van de bepalingen van deze verordening, met uitzondering van artikel 4, lid 2), onder a) tot en met d) en onder m), en van artikel 5.
Exploitanten van voorzieningen die uitsluitend bestemd zijn voor eigen gebruik door exploitanten van historisch materieel kunnen vragen van alle bepalingen van deze verordening te worden vrijgesteld.
Dergelijke verzoeken moeten naar behoren worden gemotiveerd en worden ingediend bij de toezichthoudende instantie.
2. Regelgevende instanties kunnen een vrijstelling verlenen aan exploitanten van dienstvoorzieningen die de volgende dienstvoorzieningen exploiteren of de volgende diensten aanbieden:
— dienstvoorzieningen of diensten die geen strategisch belang hebben voor de werking van de spoorvervoersmarkt, met name wat betreft de benutting van de voorziening, het type en volume verkeer dat een potentiële impact ondervindt en de aard van de in de voorziening aangeboden diensten;
— dienstvoorzieningen of diensten die worden geëxploiteerd of verleend in een concurrentiële marktomgeving waarin verschillende concurrenten vergelijkbare diensten aanbieden;
— dienstvoorzieningen of diensten waarop deze verordening niet kan worden toegepast zonder risico op negatieve effecten op de werking van de markt voor dienstvoorzieningen.
3. Binnen twee weken na de vaststelling daarvan publiceren de toezichthoudende instanties het besluit tot toekenning van een vrijstelling als bedoeld in lid 2 op hun website.
4. Wanneer niet langer voldaan is aan de criteria voor het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in lid 2 trekt de toezichthoudende instantie de vrijstelling in.
5. De toezichthoudende instanties ontwikkelen en publiceren gemeenschappelijke beginselen voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde criteria.