Art. 23 Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, Referentieperiode en maximum voor financiële bijstand van de Unie

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891

1. De lidstaten stellen voor elke producentenorganisatie een referentieperiode van twaalf maanden vast die niet eerder begint dan op 1 januari drie jaar vóór het jaar waarvoor de steun wordt gevraagd, en uiterlijk afloopt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de steun wordt gevraagd.

De referentieperiode van twaalf maanden is het boekjaar van de betrokken producentenorganisatie.

De methode voor de vaststelling van de referentieperiode mag gedurende de looptijd van een operationeel programma niet worden gewijzigd, tenzij daarvoor gegronde redenen worden aangevoerd.

2. Het in artikel 34, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde maximum voor de financiële bijstand van de Unie wordt jaarlijks berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de producenten die bij de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties zijn aangesloten op 1 januari van het jaar waarvoor de steun wordt gevraagd.

3. Als alternatief voor de in lid 2 beschreven methode kunnen de lidstaten voor niet-transnationale producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties besluiten om de feitelijke waarde van de afgezette productie in de betrokken referentieperiode van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties te gebruiken. In dat geval is het voorschrift van toepassing op alle niet-transnationale producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in die lidstaat.

4. Indien de waarde van een product met ten minste 35 % is gedaald door omstandigheden waarvoor de producentenorganisatie niet verantwoordelijk is en waarop zij geen vat heeft, wordt ervan uitgegaan dat de waarde van de afgezette productie van dat product 65 % van de waarde van het betrokken product in de voorgaande referentieperiode bedraagt.

De producentenorganisatie licht de in de eerste alinea bedoelde redenen toe ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat.

Dit lid geldt ook voor het bepalen van de inachtneming van de minimumwaarde van de afgezette productie waarin artikel 9 voorziet.

5. Wanneer historische gegevens over de afgezette productie voor recentelijk erkende producentenorganisaties ontoereikend zijn voor de toepassing van lid 1, is de waarde van de afgezette productie de waarde van de afzetbare productie die de producentenorganisatie met het oog op haar erkenning heeft opgegeven.

Vorige artikelen

Volgende artikelen