Art. 22 Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, Grondslag voor de berekening

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891

1. De waarde van de door een producentenorganisatie afgezette productie wordt berekend op basis van de door de producentenorganisatie en haar aangesloten producenten geproduceerde groenten en fruit waarvoor de producentenorganisatie is erkend. In de waarde van de afgezette productie mogen groenten en fruit worden meegerekend die niet aan de handelsnormen hoeven te voldoen, wanneer die normen niet van toepassing zijn.

De waarde van de door een unie van producentenorganisaties afgezette productie wordt berekend op basis van de door de unie van producentenorganisaties zelf en door haar aangesloten producentenorganisaties afgezette productie van groenten en fruit waarvoor de unie van producentenorganisaties is erkend. Bij het maken van deze berekening wordt dubbeltelling voorkomen.

2. In de waarde van de afgezette productie wordt de waarde van verwerkte groenten en fruit of van enig ander product dat geen product van de groente- en fruitsector is, niet meegerekend.

Indien producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, daarbij aangesloten producenten of dochterondernemingen die voldoen aan het vereiste van 90 % als bedoeld in lid 8 van dit artikel, voor verwerking bestemde groenten en fruit zelf of via uitbesteding hebben verwerkt tot groente- en fruitproducten als bedoeld in bijlage I, deel X, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, of tot enig ander verwerkt product als bedoeld in dit artikel en nader omschreven in bijlage I bij deze verordening, wordt de waarde van de afgezette productie van voor verwerking bestemde groenten en fruit berekend als forfaitair percentage van de gefactureerde waarde van die verwerkte producten. Dit forfaitaire percentage bedraagt:

a) 53 % voor vruchtensappen;

b) 73 % voor geconcentreerde vruchtensappen;

c) 77 % voor tomatenconcentraat;

d) 62 % voor ingevroren groenten en fruit;

e) 48 % voor groente- en fruitconserven;

f) 70 % voor conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus;

g) 81 % voor voorlopig in pekel verduurzaamde vruchten;

h) 81 % voor gedroogde vruchten;

i) 27 % voor andere verwerkte groenten en fruit dan die welke onder a) tot en met h) worden bedoeld;

j) 12 % voor verwerkte aromatische kruiden;

k) 41 % voor paprikapoeder.

3. De lidstaten mogen de producentenorganisaties toestaan de waarde van de bijproducten mee te rekenen in de waarde van de afgezette productie.

4. De waarde van de afgezette productie omvat de waarde van de uit de markt genomen en overeenkomstig artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 weggewerkte producten. De waarde wordt berekend op basis van de gemiddelde prijs waartegen de producentenorganisatie deze producten in de betrokken periode heeft afgezet.

5. Alleen de productie van de producentenorganisatie en van de bij haar aangesloten producenten die door die producentenorganisatie is afgezet, wordt meegerekend in de waarde van de afgezette productie. De productie van de bij een bepaalde producentenorganisatie aangesloten producenten die wordt afgezet door een tweede, daartoe door die bepaalde producentenorganisatie aangewezen producentenorganisatie, wordt meegerekend in de waarde van de afgezette productie van de tweede producentenorganisatie. Daarbij wordt dubbeltelling voorkomen.

6. Tenzij lid 8 van toepassing is, wordt de afgezette productie van groenten en fruit in het stadium „af producentenorganisatie” gefactureerd als in bijlage I, deel IX, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen product dat is verwerkt en verpakt, exclusief:

a) btw;

b) kosten van intern transport bij de producentenorganisatie wanneer de afstand tussen de verzamel- of verpakkingscentra van de producentenorganisatie en het distributiecentrum van de producentenorganisatie meer dan 300 km bedraagt.

7. De waarde van de afgezette productie kan ook worden berekend in het stadium „af unie van producentenorganisaties”, op dezelfde grondslag als is aangegeven in lid 6.

8. De waarde van de afgezette productie kan ook worden berekend in het stadium „af dochteronderneming”, op dezelfde grondslag als is aangegeven in lid 6, op voorwaarde dat ten minste 90 % van de aandelen of het kapitaal van de dochteronderneming in handen is van:

a) één of meer producentenorganisatie of unies van producentenorganisaties, of

b) aangesloten producenten van de producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties, indien de lidstaat dit goedkeurt en indien aldus wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de in artikel 152, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde doelstellingen.

9. Bij uitbesteding wordt de waarde van de afgezette productie berekend in het stadium „af producentenorganisatie” en omvat deze de toegevoegde economische waarde van de activiteit die de producentenorganisatie heeft uitbesteed aan haar leden, aan derde partijen of aan een andere dan een in lid 8 bedoelde dochteronderneming.

10. Wanneer de productie als gevolg van een natuurramp, weersomstandigheden, dier- of plantenziekten of plagen afneemt, mogen de op grond daarvan door de verzekering uitgekeerde vergoedingen in het kader van oogstverzekeringsacties uit hoofde van hoofdstuk III, afdeling 7, of door de producentenorganisatie beheerde gelijkwaardige acties worden meegeteld in de waarde van de afgezette productie.

Vorige artikelen

Volgende artikelen