Art. 45 Verordening (EU) 2016/631, Conformiteitstests voor synchrone elektriciteitsproductie-eenheden van het type C
1. Voor synchrone elektriciteitsproductie-eenheden van het type C voeren de eigenaren van elektriciteitsproductie-installaties, in aanvulling op de in artikel 44 beschreven conformiteitstests voor synchrone elektriciteitsproductie-eenheden van het type B, ook de in de leden 2, 3, 4 en 6 van dit artikel beschreven conformiteitstests uit. Wanneer productie-eenheden over black-start-mogelijkheden beschikken, voeren de eigenaren van de elektriciteitsproductie-installaties ook de in lid 5 bedoelde tests uit. In plaats van de relevante tests uit te voeren, kunnen de eigenaren van elektriciteitsproductie-installaties zich baseren op de door een erkende certificerende instantie verstrekte conformiteitscertificaten om overeenstemming met de relevante eis aan te tonen. In een dergelijk geval worden de conformiteitscertificaten verstrekt aan de relevante systeembeheerder.
2. Wat de test betreffende de LFSM-U-respons betreft, gelden de volgende eisen:
a) de test toont aan dat de elektriciteitsproductie-eenheid technisch in staat is op continue wijze het werkzaam vermogen te moduleren in bedrijfspunten beneden de maximumcapaciteit om zo bij te dragen tot de frequentieregeling in het geval van een grote frequentiedaling in het systeem;
b) de test wordt uitgevoerd door de adequate belastingspunten van het werkzaam vermogen te simuleren, met kleine frequentiesprongen en -gradiënten die voldoende groot zijn om een verandering van het werkzaam vermogen van minimaal 10 % van de maximumcapaciteit te initiëren, rekening houdend met de statiekinstellingen en de dode band. Indien vereist, worden gesimuleerde frequentieverschilsignalen gelijktijdig geïnjecteerd in de referentie-ingangen van zowel de toerenregeling als de vermogensregeling;
c) de test wordt als succesvol beschouwd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
i) de testresultaten voor zowel de dynamische als de statische parameters voldoen aan artikel 15, lid 2, onder c), en
ii) na de verandering ten gevolge van de staprespons doen zich geen ongedempte oscillaties voor.
3. Wat de test betreffende de FSM-respons betreft, gelden de volgende eisen:
a) de test toont aan dat de elektriciteitsproductie-eenheid technisch in staat is op continue wijze het werkzaam vermogen te moduleren over het volledige operationele bereik tussen maximumcapaciteit en minimumregelniveau om bij te dragen tot de frequentieregeling. De stationaire instellingen van de regelingen, zoals de statiek en dode band, en de dynamische parameters, inclusief robuustheid bij de respons op een stapsgewijze verandering van de frequentie en grote, snelle frequentieafwijkingen wordt geverifieerd;
b) de test wordt uitgevoerd door frequentiesprongen en -gradiënten te simuleren die voldoende groot zijn om het gehele bereik van de frequentie-vermogensrespons te activeren, rekening houdend met de instellingen van statiek en dode band, alsmede met de capaciteit om het werkzaam uitgangsvermogen van het desbetreffende bedrijfspunt daadwerkelijk te verhogen of te verlagen. Indien vereist, worden gesimuleerde frequentieverschilsignalen gelijktijdig geïnjecteerd in de referentie-ingangen van zowel de toerenregelaar als de vermogensregeling van de eenheid of van het regelsysteem van de hele installatie.
c) de test wordt als succesvol beschouwd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
i) de activeringstijd van de volledige frequentierespons van het bereik van het werkzaam vermogen als resultaat van de stapafwijking van de frequentie bedraagt niet meer dan vereist krachtens artikel 15, lid 2, onder d);
ii) na de verandering ten gevolge van de staprespons doen zich geen ongedempte oscillaties voor;
iii) de initiële vertragingstijd voldoet aan artikel 15, lid 2, onder d);
iv) de statiekinstellingen zijn beschikbaar binnen het bereik als omschreven in artikel 15, lid 2, onder d), en de dode band (drempelwaarde) ligt niet hoger dan de in dat artikel gespecificeerde waarde, en
v) de ongevoeligheid van de frequentierespons van het werkzaam vermogen in elk relevant bedrijfspunt is niet groter dan de eisen van artikel 15, lid 2, onder d).
4. Wat de test betreffende de regeling voor het herstel van de frequentie betreft, gelden de volgende eisen:
a) de technische capaciteit van de elektriciteitsproductie-eenheid om bij te dragen aan de regeling voor het herstel van de frequentie wordt aangetoond en de samenwerking van FSM en de regeling voor het herstel van de frequentie wordt geverifieerd;
b) de test wordt als succesvol beschouwd wanneer de resultaten, voor zowel de dynamische als de statische parameters, voldoen aan de eisen van artikel 15, lid 2, onder e).
5. Wat de test betreffende de black-start-mogelijkheden betreft, gelden de volgende eisen:
a) voor elektriciteitsproductie-eenheden met black-start-mogelijkheden wordt deze capaciteit om op te kunnen starten vanuit stilstand zonder enige externe elektrische voeding aangetoond;
b) de test wordt als succesvol beschouwd als de opstarttijd binnen de in artikel 15, lid 5, onder a), iii), gegeven tijd blijft.
6. Wat de test betreffende de overschakeling naar eigenbedrijfsbelasting betreft, gelden de volgende eisen:
a) de technische capaciteit van de elektriciteitsproductie-eenheid om na afschakeling van het systeem over te gaan naar stabiel eigenbedrijf wordt aangetoond;
b) de test wordt uitgevoerd bij maximale capaciteit en nominaal blindvermogen van de elektriciteitsproductie-eenheid vóór lastafworp;
c) de relevante systeembeheerder kan aanvullende voorwaarden vaststellen, rekening houdend met artikel 15, lid 5, onder c);
d) de test wordt als succesvol beschouwd wanneer de overschakeling naar eigenbedrijfsbelasting succesvol is, stabiel bedrijf bij eigenbedrijfsbelasting is aangetoond binnen het in artikel 15, lid 5, onder c), bedoelde tijd en de hersynchronisatie met het netwerk met succes is uitgevoerd.
7. Wat de test betreffende de capaciteit voor het leveren van blindvermogen betreft, gelden de volgende eisen:
a) de technische capaciteit van de elektriciteitsproductie-eenheid om inductief en capacitief blindvermogen te leveren in overeenstemming met artikel 18, lid 2, onder b) en c), wordt aangetoond;
b) de test wordt als succesvol beschouwd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
i) de elektriciteitsproductie-eenheid is gedurende minimaal één uur in bedrijf bij maximaal blindvermogen, zowel inductief als capacitief, bij:
— minimaal stabiel bedrijf;
— maximumcapaciteit, en
— een bedrijfspunt voor het werkzaam vermogen tussen de bovenstaande maximum- en minimumniveaus;
ii) de capaciteit van de elektriciteitsproductie-eenheid om het bedrijfspunt te veranderen naar elke gewenste waarde van het blindvermogen binnen het overeengekomen bereik voor het blindvermogen, wordt aangetoond.