Art. 9 Richtlijn (EU) 2016/1629, Voorlopige Uniebinnenvaartcertificaten
1. De bevoegde instanties van de lidstaten kunnen een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat afgeven aan:
a) vaartuigen die met toestemming van de bevoegde instantie naar een bepaalde plaats willen varen om een Uniebinnenvaartcertificaat te verkrijgen;
b) vaartuigen waarvan het Uniebinnenvaartcertificaat verloren, beschadigd of tijdelijk ingetrokken is, zoals bedoeld in de artikelen 13 en 15 of in de bijlagen II en V;
c) vaartuigen waarvan het Uniebinnenvaartcertificaat na een inspectie met positief resultaat wordt voorbereid;
d) vaartuigen die niet aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een Uniebinnenvaartcertificaat in overeenstemming met de bijlagen II en V hebben voldaan;
e) vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat zij niet meer voldoen aan hun Uniebinnenvaartcertificaat;
f) drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, indien de voor bijzonder transport bevoegde instanties de vergunning voor een bijzonder transport hebben afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, zulks overeenkomstig de toepasselijke scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten;
g) vaartuigen die een ontheffing genieten van de bijlagen II en V, overeenkomstig de artikelen 25 en 26 van deze richtlijn, in afwachting van de vaststelling van de toepasselijke uitvoeringshandelingen.
2. Het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat wordt alleen afgegeven indien de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd blijkt. Het wordt opgesteld overeenkomstig het model in bijlage II.
3. Het voorlopige Uniebinnenvaartcertificaat bevat de voorwaarden die door de bevoegde instantie noodzakelijk worden geacht en is geldig:
a) in de in lid 1, onder a),d), e) en f), bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een passende termijn die ten hoogste één maand bedraagt;
b) in de in lid 1, onder b) en c), bedoelde gevallen voor een passende duur;
c) in de in lid 1, onder g), genoemde gevallen gedurende zes maanden; het voorlopige Uniebinnenvaartcertificaat mag om de zes maanden worden verlengd, tot de desbetreffende uitvoeringshandeling is vastgesteld.