Art. 10 Richtlijn (EU) 2016/1629, Geldigheid van Uniebinnenvaartcertificaten
1. De geldigheidsduur van voor nieuwe vaartuigen afgegeven Uniebinnenvaartcertificaten wordt vastgesteld door de bevoegde instantie en bedraagt ten hoogste:
a) vijf jaar voor passagiersschepen en snelle schepen;
b) tien jaar voor alle andere vaartuigen.
De geldigheidsduur wordt op het Uniebinnenvaartcertificaat vermeld.
2. Voor vaartuigen die reeds voordat de technische inspectie plaatsvindt, in bedrijf waren, wordt de geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat per geval, afhankelijk van de resultaten van de inspectie, vastgesteld door de bevoegde instantie. Deze geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan de in lid 1 voorgeschreven termijn.