Art. 221 Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, Bevoegd douanekantoor voor het plaatsen van goederen onder een douaneregeling
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447
1. Voor de toepassing van de ontheffing van de verplichting om goederen aan te brengen overeenkomstig artikel 182, lid 3, van het wetboek, is het toezichthoudende douanekantoor als bedoeld in artikel 182, lid 3, onder c), tweede alinea, van het wetboek, het douanekantoor dat bevoegd is om goederen onder een douaneregeling te plaatsen als bedoeld in artikel 159, lid 3, van het wetboek.
2. De volgende douanekantoren zijn bevoegd om goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen:
a) het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd;
b) het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen voor uitvoer worden verpakt of geladen;
c) een ander douanekantoor in de betrokken lidstaat dat om administratieve redenen bevoegd is voor de handelingen in kwestie.
Wanneer de waarde van de goederen niet hoger is dan 3 000 EUR per zending en per aangever en de goederen niet aan verboden of beperkingen zijn onderworpen, is naast de in de eerste alinea bedoelde douanekantoren ook het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang van de goederen uit het douanegebied van de Unie, bevoegd om goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen.
Wanneer sprake is van onderaanneming, is behalve de in de eerste en tweede alinea bedoelde douanekantoren ook het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de onderaannemer is gevestigd, bevoegd om de goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen.
Wanneer de omstandigheden van een individueel geval dit rechtvaardigen, is ook een ander douanekantoor dat beter is gesitueerd om de goederen bij de douane aan te brengen, bevoegd om de goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen.
3. Mondelinge douaneaangiften tot uitvoer en wederuitvoer worden gedaan op het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang van de goederen.