Art. 220 Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, Goederen in een postzending
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447
1. De douaneaangifte voor goederen als bedoeld in artikel 141, leden 2, 3 en 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 wordt geacht te zijn aanvaard en de goederen worden geacht te zijn vrijgegeven op de volgende tijdstippen:
a) wanneer de douaneaangifte betrekking heeft op het in het vrije verkeer brengen, op het tijdstip waarop de goederen aan de geadresseerde ter beschikking worden gesteld;
b) wanneer de douaneaangifte betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, op het tijdstip waarop de goederen het douanegebied van de Unie verlaten.
2. Wanneer de douaneaangifte betrekking heeft op het in het vrije verkeer brengen en het niet mogelijk was de goederen als bedoeld in artikel 141, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 aan de geadresseerde ter beschikking te stellen, wordt de douaneaangifte geacht niet te zijn ingediend.
De goederen die niet aan de geadresseerde ter beschikking zijn gesteld, worden geacht in tijdelijke opslag te zijn totdat zij worden vernietigd, wederuitgevoerd of anderszins verwijderd in overeenstemming met artikel 198 van het wetboek.