Art. 3 Verordening (EU) 2015/751, Afwikkelingsvergoedingen voor debetkaarttransacties van consumenten
1. De afwikkelingsvergoeding die betalingsdienstaanbieders voor debetkaarttransacties bieden of verlangen, bedraagt per transactie niet meer dan 0,2 % van de transactiewaarde.
2. Voor binnenlandse debetkaarttransacties kunnen de lidstaten:
a) met betrekking tot de afwikkelingsvergoeding een maximumpercentage per transactie vaststellen dat lager is dan het in lid 1 bepaalde percentage, en bepalen dat de op basis van het toepasselijke percentage berekende vergoeding een bepaald maximumbedrag niet mag overschrijden, of
b) betalingsdienstaanbieders toestaan een afwikkelingsvergoeding per transactie toe te passen van niet meer dan 0,05 EUR, of in de lidstaten met een andere munteenheid dan de euro, de overeenkomstige waarde in de nationale munteenheid op 8 juni 2015; deze waarde wordt om de vijf jaar herzien of telkens wanneer er een aanzienlijke wijziging is van de wisselkoers. Deze afwikkelingsvergoeding per transactie kan ook worden gecombineerd met een maximale procentuele vergoeding van niet meer dan 0,2 %, op voorwaarde dat de som van de afwikkelingsvergoedingen van het betaalkaartschema nooit groter is dan 0,2 % van de totale jaarlijkse transactiewaarde van de binnenlandse debetkaarttransacties binnen elk betaalkaartschema.
3. Tot 9 december 2020 kunnen de lidstaten, met betrekking tot binnenlandse debetkaarttransacties, de betalingsdienstaanbieders toestaan een gewogen gemiddelde afwikkelingsvergoeding toe te passen die niet meer bedraagt dan 0,2 % van de gemiddelde jaarlijkse transactiewaarde van alle binnenlandse debetkaarttransacties binnen elk betaalkaartschema. De lidstaten kunnen voor alle binnenlandse debetkaarttransacties een lagere gewogen gemiddelde maximale afwikkelingsvergoeding vaststellen.
4. De in de leden 2 en 3 bedoelde jaarlijkse transactiewaarden worden berekend op jaarbasis, te rekenen vanaf 1 januari tot en met 31 december, en wordt toegepast vanaf 1 april van het daaropvolgende jaar. De referentieperiode voor de eerste berekening van die waarde begint 15 kalendermaanden vóór de toepassingsdatum van de leden 2 en 3 en eindigt drie kalendermaanden vóór die datum.
5. De in artikel 13 bedoelde bevoegde autoriteiten verlangen dat betaalkaartschema's en/of betalingsdienstaanbieders hun op schriftelijk verzoek alle informatie verstrekken die zij nodig hebben om te verifiëren of het bepaalde in de leden 3 en 4 naar behoren is toegepast; die informatie wordt vóór 1 maart van het jaar dat volgt op de in de eerste zin van lid 4 vermelde referentieperiode naar de bevoegde autoriteit gestuurd. Elke andere informatie op basis waarvan de bevoegde autoriteiten kunnen nagaan of aan het bepaalde in dit hoofdstuk is voldaan, wordt binnen de door hen opgelegde termijn op hun schriftelijk verzoek naar de bevoegde autoriteiten gestuurd. De bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat die informatie door een onafhankelijke auditor wordt gecertificeerd.