Art. 17 Verordening (EU) 2015/751, Evaluatieclausule
Uiterlijk 9 juni 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in over de toepassing van deze verordening. De Commissie beoordeelt in haar rapport met name of de afwikkelingsvergoedingen van een adequaat niveau zijn, en kijkt tevens in het bijzonder naar sturingsmechanismen zoals kosten, daarbij rekening houdend met het gebruik en de kosten van de diverse betaalmiddelen en de mate waarin nieuwkomers, nieuwe technologie en innovatieve bedrijfsmodellen hun weg naar de markt hebben gevonden. Bij de beoordeling wordt met name aandacht besteed aan:
a) de ontwikkeling van vergoedingen ten laste van betalers;
b) de mate van concurrentie tussen betaalkaartaanbieders en -schema's;
c) het effect op de kosten voor de betaler en de begunstigde;
d) de mate waarin handelaren lagere afwikkelingsvergoedingen aan hun klanten doorberekenen;
e) de technische eisen en de gevolgen daarvan voor alle betrokken partijen;
f) de gevolgen van co-badging voor de gebruiksvriendelijkheid, met name voor ouderen en andere kwetsbare gebruikers;
g) het effect op de markt van de uitsluiting van commerciële kaarten van hoofdstuk II, waarbij de situatie in lidstaten waar het aanrekenen van toeslagen verboden is, wordt vergeleken met de situatie in lidstaten waar dit is toegestaan;
h) de gevolgen voor de markt van de bijzondere bepalingen voor afwikkelingsvergoedingen voor binnenlandse debetkaarttransacties;
i) de ontwikkeling van grensoverschrijdende acceptatie en de gevolgen ervan voor de eengemaakte markt, waarbij de situatie voor kaarten met maximumvergoedingen wordt vergeleken met de situatie voor kaarten zonder maximumvergoeding, teneinde na te gaan of kan worden verduidelijkt welke afwikkelingsvergoeding op grensoverschrijdende acceptatie van toepassing is;
j) de toepassing in de praktijk van de voorschriften inzake de scheiding tussen het betaalkaartschema en de verwerkingsentiteiten, en de noodzaak tot heroverweging van juridische ontvlechting;
k) de mogelijkheid, afhankelijk van het effect van artikel 3, lid 1, op de werkelijke waarde van afwikkelingsvergoedingen voor debetkaarttransacties van middelgrote en grote waarde, dat dit lid moet worden herzien door te bepalen dat de maximumvergoeding moet worden beperkt tot 0,07 EUR of 0,2 % van de waarde van de transactie, naargelang welk bedrag het laagst is.
Het rapport van de Commissie gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, eventueel met inbegrip van een voorstel tot wijziging van het maximum voor afwikkelingsvergoedingen.