Art. 6 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014, Volgorde van verlagingen, weigeringen, intrekkingen en sancties ten aanzien van elke regeling inzake rechtstreekse betalingen of plattelandsontwikkelingsmaatregel
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014
1. Het bedrag van de betaling die in het kader van een in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde regeling aan een begunstigde moet worden toegekend wordt door de lidstaten vastgesteld volgens de voorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig die verordening en overeenkomstig de programma’s voor de ultraperifere gebieden van de Unie en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee die respectievelijk bij de Verordeningen (EU) nr. 228/2013 (12) en (EU) nr. 229/2013 (13) van het Europees Parlement en de Raad voor de betrokken regeling inzake rechtstreekse steun zijn vastgesteld.
2. Voor elke in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde regeling en voor elke onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregel zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 worden de verlagingen, intrekkingen en sancties, indien van toepassing, in de volgende volgorde berekend:
a) de in titel II, hoofdstuk IV, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde verlagingen en sancties, met uitzondering van de in artikel 16 van die verordening bedoelde sancties, worden toegepast op elk geval van niet-naleving;
b) het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt a), dient als basis voor de berekening van de in titel III van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde weigeringen;
c) het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt b) dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 moeten worden toegepast in geval van te late indiening;
d) het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt c) dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 moeten worden toegepast in geval van niet-aangifte van landbouwpercelen;
e) het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt d), dient als basis voor de berekening van de in titel III van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde intrekkingen;
f) het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt e), dient als basis voor de toepassing van:
i) de in artikel 51, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;
ii) de in artikel 51, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;
iii) de in artikel 65, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;
iv) de in artikel 65, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;
v) de lineaire verlaging die moet worden toegepast ingeval de overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 te verrichten betalingen het overeenkomstig artikel 42, lid 2, van die verordening vastgestelde nationale maximum overschrijden.
3. Het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van lid 2, onder f), dient als basis voor de toepassing van:
a) de in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verlaging van betalingen;
b) het overeenkomstig artikel 7, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde percentage van de lineaire verlaging;
c) het in artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aanpassingspercentage.
4. Het uit de toepassing van lid 3 voortvloeiende bedrag van de betaling dient als basis voor de berekening van de verlagingen die overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 wegens niet-naleving van de randvoorwaarden moeten worden toegepast.