Art. 1 Verordening (EU) nr. 651/2014, Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op de volgende categorieën steun:
a) regionale steun;
b) steun aan kmo's in de vorm van investeringssteun, exploitatiesteun en toegang van kmo's tot financiering;
c) steun voor de bescherming van het milieu;
d) steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie;
e) opleidingssteun;
f) steun voor de aanwerving en de tewerkstelling van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap;
g) steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen;
h) sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden;
i) steun voor breedbandinfrastructuur;
j) steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed;
k) steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur, en
l) steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen.
2. Deze verordening is niet van toepassing op:
a) regelingen op grond van deel 1 (met uitzondering van artikel 15), van de delen 2, 3 en 4, van deel 7 (met uitzondering van artikel 44) en van deel 10 van hoofdstuk III van deze verordening indien het gemiddelde jaarlijkse budget aan staatssteun meer dan 150 miljoen EUR bedraagt, vanaf zes maanden nà de inwerkingtreding ervan. De Commissie kan, nadat zij een beoordeling heeft gemaakt van het door de betrokken lidstaat binnen 20 werkdagen na de inwerkingtreding van de regeling bij de Commissie aangemelde evaluatieontwerp, besluiten dat deze verordening voor een langere periode op deze steunregelingen van toepassing blijft;
b) alle wijzigingen van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde regelingen niet zijnde aanpassingen die op de verenigbaarheid van de steunregeling krachtens deze verordening geen invloed kunnen hebben of die de inhoud van het goedgekeurde evaluatieontwerp niet aanzienlijk kunnen veranderen;
c) steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende kosten in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;
d) steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen.
3. Deze verordening is niet van toepassing op:
a) steun toegekend in de visserij- en aquacultuursector voor zover die onder Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (35) valt, met uitzondering van opleidingssteun, steun om kmo's toegang tot financiering te geven, steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo's en steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap;
b) steun toegekend in de sector van de primaire landbouwproductie, met uitzondering van de vergoeding voor bijkomende kosten niet zijnde vervoerskosten in ultraperifere gebieden krachtens artikel 15, lid 2, onder b), consultancysteun voor kmo's, risicofinancieringssteun, steun voor onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo's, milieusteun, opleidingssteun en steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap;
c) steun toegekend in de sector van de verwerking en de afzet van landbouwproducten in de volgende gevallen:
i) wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op grond van de prijs of de hoeveelheid van deze producten die zijn afgenomen van primaire producenten of door de betrokken ondernemingen op de markt worden gebracht, of
ii) wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven;
d) steun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen, voor zover die onder Besluit 2010/787/EU van de Raad valt;
e) de in artikel 13 uitgesloten categorieën regionale steun.
Wanneer een onderneming actief is zowel in de in de punten a), b) of c) van de eerste alinea uitgesloten sectoren als in sectoren die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, is deze verordening van toepassing op steun ten behoeve van activiteiten in die laatste sectoren of activiteiten, mits de lidstaten, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgen dat de activiteiten in de uitgesloten sectoren geen uit hoofde van deze verordening verleende steun genieten.
4. Deze verordening is niet van toepassing op:
a) steunregelingen die niet uitdrukkelijk voorzien in uitsluiting van betaling van individuele steun aan ondernemingen ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen;
b) ad-hocsteun ten behoeve van een in punt a) bedoelde onderneming;
c) steun aan ondernemingen in moeilijkheden, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen.
5. Deze verordening is niet van toepassing op staatssteunmaatregelen die, op zich, door de daaraan verbonden voorwaarden of de methode waarmee zij worden gefinancierd, tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht leiden, met name:
a) steunmaatregelen waarbij aan de steunverlening de verplichting voor de begunstigde verbonden is om zijn hoofdkantoor in de betrokken lidstaat te hebben of om overwegend in die lidstaat te zijn gevestigd. Wel is het toegestaan om te eisen dat een onderneming op het tijdstip van de uitkering van de steun een vaste inrichting of dochteronderneming moet hebben in de steuntoekennende lidstaat;
b) steunmaatregelen waarbij aan de steunverlening de verplichting voor de begunstigde is verbonden om binnenlands geproduceerde goederen of binnenlandse diensten te gebruiken;
c) steunmaatregelen die beperkingen stellen aan de mogelijkheden voor de begunstigden om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie in andere lidstaten te exploiteren.