Art. 47 Verordening (EU) nr. 600/2014, Gelijkwaardigheidsbesluit
1. De Commissie kan in overeenstemming met de in artikel 51, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure een besluit vaststellen met betrekking tot een derde land waarin wordt bevestigd dat de wettelijke en toezichtsregelingen van dat derde land waarborgen dat ondernemingen die in dat derde land een vergunning hebben, zich houden aan wettelijk bindende prudentiële en bedrijfsvoeringsvoorschriften waarvan het effect gelijkwaardig is aan dat van de vereisten die zijn vastgelegd in deze verordening, in Richtlijn 2013/36/EU en in Richtlijn 2014/65/EU alsook in de uitvoeringsmaatregelen die in het kader van deze verordening en die richtlijnen zijn goedgekeurd, en dat het wettelijke kader van het betreffende derde land voorziet in een doeltreffend gelijkwaardig systeem voor erkenning van beleggingsondernemingen waaraan krachtens rechtsstelsels van derde landen een vergunning is verleend.
Het prudentiële en bedrijfsvoeringskader van een derde land wordt geacht een gelijkwaardig effect te hebben als het aan alle volgende voorwaarden voldoet:
a) ondernemingen die beleggingsdiensten en -activiteiten in dat derde land verrichten, hebben een vergunning en zijn doorlopend onderworpen aan effectief toezicht en effectieve handhaving;
b) voor ondernemingen die beleggingsdiensten en -activiteiten in dat derde land verrichten, gelden toereikende kapitaalvereisten en passende vereisten met betrekking tot aandeelhouders en leden van hun leidinggevend orgaan;
c) voor ondernemingen die beleggingsdiensten en -activiteiten in dat derde land verrichten, gelden adequate organisatorische eisen op het gebied van internecontrolefuncties;
d) ondernemingen die beleggingsdiensten en -activiteiten leveren zijn gebonden aan passende bedrijfsvoeringsregels;
e) het waarborgt die beleggingsdiensten en -activiteiten in dat derde land verrichten, waarborgen de markttransparantie en -integriteit door marktmisbruik in de vorm van handel met voorwetenschap en marktmanipulatie te voorkomen.
2. De ESMA brengt samenwerkingsregelingen tot stand met de relevante bevoegde autoriteiten van derde landen waarvan de wettelijke en toezichtskaders als effectief gelijkwaardig zijn erkend in overeenstemming met lid 1. In een dergelijke regeling wordt minstens het volgende gespecificeerd:
a) het mechanisme voor de uitwisseling van informatie tussen de ESMA en de bevoegde autoriteiten van de betreffende derde landen, waaronder toegang tot alle door de ESMA gevraagde informatie met betrekking tot buiten de Unie gevestigde ondernemingen die in derde landen een vergunning hebben;
b) het mechanisme voor onverwijlde kennisgeving aan de ESMA indien een bevoegde autoriteit van een derde land van mening is dat een onderneming uit een derde land die onder haar toezicht valt en die door de ESMA is geregistreerd in het register dat is opgesteld krachtens artikel 48, de voorwaarden voor haar vergunning of een andere wetgeving dat zij moet naleven, overtreedt;
c) de procedures in verband met de coördinatie van toezichtactiviteiten, met inbegrip van, in voorkomend geval, inspecties ter plaatse.
3. Een onderneming uit een derde land die is gevestigd in een land waarvan het wettelijke en toezichtskader als effectief gelijkwaardig is erkend in overeenstemming met lid 1 en waaraan overeenkomstig artikel 39 van Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, kan de onder de vergunning vallende diensten en activiteiten ook in andere lidstaten van de Unie verrichten voor in aanmerking komende tegenpartijen en professionele cliënten in de zin van deel I van bijlage II bij Richtlijn 2014/65/EU zonder de vestiging van nieuwe bijkantoren. Hiertoe dient de onderneming te voldoen aan de informatievereisten voor de grensoverschrijdende levering van diensten en de grensoverschrijdende verrichting van activiteiten als voorzien in artikel 34 van Richtlijn 2014/65/EU.
Het bijkantoor blijft onder het toezicht staan van de lidstaat waar overeenkomstig artikel 39 van Richtlijn 2014/65/EU het bijkantoor is gevestigd. Niettemin, en onverminderd de in Richtlijn 2014/65/EU vastgelegde samenwerkingsverplichtingen, kunnen de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst evenredige samenwerkingsregelingen sluiten om te waarborgen dat het bijkantoor van de onderneming uit een derde land dat beleggingsdiensten verleent in de Unie passende beleggersbescherming.
4. Een onderneming uit een derde land mag niet langer gebruikmaken van de rechten op grond van artikel 46, lid 1, wanneer de Commissie een besluit vaststelt overeenkomstig de in artikel 51, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure waarbij haar besluit op grond van lid 1 van dit artikel met betrekking tot het betreffende derde land wordt ingetrokken.