Art. 5 Verordening (EU) nr. 1380/2013, Algemene voorschriften inzake toegang tot de wateren

Verordening (EU) nr. 1380/2013

1. Behoudens de in het kader van deel III vastgestelde maatregelen hebben Unievissersvaartuigen gelijke toegang tot de wateren en visbestanden in alle andere Uniewateren dan die welke in de leden 2 en 3 worden bedoeld.

2. In de wateren tot 12 zeemijl vanaf de basislijnen die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen, mogen de lidstaten tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die van oudsher in die wateren vissen vanuit havens aan de aangrenzende kust, onverminderd de regelingen die in het kader van bestaande nabuurschapsbetrekkingen tussen lidstaten gelden voor Unievissersvaartuigen die de vlag van een andere lidstaat voeren, en onverminderd de regelingen die zijn opgenomen in bijlage I, waarin voor elke lidstaat de geografische zones van de kustwateren van de andere lidstaten zijn vastgesteld waar visserijactiviteiten mogen plaatsvinden, evenals de soorten waarop deze activiteiten betrekking mogen hebben. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie.

3. In de wateren tot 100 zeemijl vanaf de basislijnen van de ultraperifere gebieden van de Unie, bedoeld in artikel 349, eerste alinea, van het Verdrag, mogen de betrokken lidstaten tot en met 31 december 2022 de visserij beperken tot de vissersvaartuigen die in de havens van deze gebieden zijn geregistreerd. Zodanige beperkingen zijn niet van toepassing op Unievaartuigen die van oudsher in die wateren vissen, op voorwaarde dat die vaartuigen de van oudsher uitgeoefende visserijinspanning niet overschrijden. De lidstaten delen de beperkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben ingevoerd, mee aan de Commissie.

4. De maatregelen die van toepassing zullen zijn na afloop van de in de leden 2 en 3 bedoelde regelingen, worden vastgesteld vóór 31 december 2022.