Art. 64 Verordening (EU) nr. 1308/2013, Verlening van vergunningen voor nieuwe aanplant
Verordening (EU) nr. 1308/2013
1. Indien de totale oppervlakte waarop de subsidiabele aanvragen in een bepaald jaar betrekking hebben, niet groter is dan de door de lidstaat beschikbaar gestelde oppervlakte, worden al die aanvragen aanvaard.
De lidstaten kunnen voor de toepassing van dit artikel één of meer van de volgende objectieve en niet-discriminerende subsidiabiliteitscriteria toepassen:
a) de aanvrager beschikt over cultuurgrond met een oppervlakte die niet kleiner is dan de oppervlakte waarvoor hij de vergunning aanvraagt;
b) de aanvrager beschikt over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid;
c) de aanvraag houdt geen aanzienlijk risico van misbruik van de bekendheid van de specifieke beschermde oorsprongsbenamingen in, hetgeen wordt verondersteld tenzij het bestaan van een dergelijk risico wordt aangetoond door de overheidsinstanties;
d) in naar behoren gemotiveerde gevallen, één of meer van de in lid 2 bedoelde criteria, mits deze op objectieve en niet-discriminerende wijze worden toegepast.
2. Indien de in lid 1 bedoelde totale oppervlakte waarop de subsidiabele aanvragen in een bepaald jaar betrekking hebben, groter is dan de door de lidstaat beschikbaar gestelde oppervlakte, worden de vergunningen verhoudingsgewijs per hectare over alle aanvragers verdeeld op basis van de oppervlakte waarvoor zij de vergunning hebben ingediend. De vergunningen kunnen ook geheel of gedeeltelijk worden verleend overeenkomstig één of meer van de volgende objectieve en niet-discriminerende prioriteitscriteria:
a) producenten die voor het eerst wijnstokken planten en die bedrijfshoofd zijn (nieuwkomers);
b) gebieden waar wijngaarden bijdragen tot behoud van het milieu;
c) oppervlakten die voor het eerst zullen worden beplant, in het kader van landconsolidatiesprojecten;
d) gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen;
e) de duurzaamheid van ontwikkelings- of herbeplantingsprojecten op basis van een economische evaluatie;
f) voor het eerst te beplanten oppervlakten die bijdragen tot verhoging van het concurrentievermogen op bedrijfs- en regionaal niveau;
g) projecten die de mogelijkheid bieden de kwaliteit van producten met geografische aanduidingen te verbeteren;
h) voor het eerst te beplanten oppervlakten in het kader van het vergroten van de omvang van kleine en middelgrote bedrijven.
3. De lidstaten maken de in de leden 1 en 2 bedoelde criteria die zij toepassen bekend en stellen de Commissie onverwijld daarvan in kennis.