Art. 171 Verordening (EU) nr. 1308/2013, Contractuele onderhandelingen voor bepaalde akkerbouwgewassen

Verordening (EU) nr. 1308/2013

1. Een producentenorganisatie die krachtens artikel 152, lid 1, is erkend en één of meer van de volgende doelstellingen nastreeft, namelijk het concentreren van het aanbod, het in de handel brengen van de door haar leden geproduceerde producten en het optimaliseren van de productiekosten, kan namens haar leden, met betrekking tot de volledige gezamenlijke productie van die leden of een gedeelte daarvan, onderhandelen over contracten voor de levering van een of meer van de volgende niet voor inzaai bestemde, en in het geval van gerst, niet voor verwerking tot mout bestemde producten:

a) zachte tarwe die onder GN-code ex 1001 99 00 valt;

b) gerst die onder GN-code ex 1003 90 00 valt;

c) maïs die onder GN-code ex 1005 90 00 valt;

d) rogge die onder GN-code ex 1002 90 00 valt;

e) harde tarwe die onder GN-code ex 1001 19 00 valt;

f) haver die onder GN-code ex 1004 90 00 valt;

g) triticale die onder GN-code ex 1008 60 00 valt;

h) kool- en raapzaad die onder GN-code ex 1205 valt;

i) zonnebloemzaad die onder GN-code ex 1206 00 valt;

j) soja die onder GN-code ex 1201 90 00 valt;

k) paarden- en duivenbonen die onder GN-codes ex 0708 en ex 0713 valt;

l) voedererwten die onder GN-codes ex 0708 en ex 0713 valt.

Een producentenorganisatie voldoet aan de in dit lid genoemde doelstellingen indien het nastreven van die doelstellingen leidt tot de integratie van activiteiten en die integratie naar alle waarschijnlijkheid een aanzienlijke efficiëntiewinst zal opleveren, zodat de activiteiten van de producentenorganisatie per saldo bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 VWEU.

Dit kan worden bereikt mits:

a) de producentenorganisatie ten minste één van de volgende activiteiten verricht:

i) gezamenlijke distributie, waaronder gezamenlijke verkoopsplatformen of gezamenlijk vervoer;

ii) gezamenlijke afzetbevordering;

iii) gezamenlijke organisatie van kwaliteitscontrole;

iv) gezamenlijk gebruik van uitrusting of opslagfaciliteiten;

v) gezamenlijke aanschaf van productiemiddelen;

b) deze activiteiten significant zijn wat betreft de hoeveelheid betrokken product en de productie- en afzetkosten.

2. De erkende producentenorganisatie kan de onderhandelingen voeren:

a) ongeacht of de eigendom van het product door de producenten wordt overgedragen aan de producentenorganisatie;

b) ongeacht of de onderhandelde prijs geldt voor de gezamenlijke productie van alle, dan wel een deel van de leden;

c) op voorwaarde dat, voor ieder in lid 1 bedoeld product en voor een welbepaalde producentenorganisatie, het productievolume waarover onderhandeld wordt en dat in een bepaalde lidstaat wordt geproduceerd, niet meer dan 15 % bedraagt van de totale nationale productie van dat product in de betrokken lidstaat;

d) op voorwaarde dat, voor de hoeveelheid producten waarover onderhandeld wordt, de producentenorganisatie het aanbod concentreert en het product van zijn leden op de markt brengt;

e) op voorwaarde dat de betrokken producenten niet zijn aangesloten bij een andere producentenorganisatie die eveneens namens hen onderhandelingen over contracten voert;

f) op voorwaarde dat het lidmaatschap van de producent van een coöperatie die zelf geen lid is van de betrokken producentenorganisatie, geen verplichting inhoudt dat de producten in kwestie dienen te worden geleverd overeenkomstig de voorwaarden die in de statuten van de coöperatie of de op grond van deze statuten vastgestelde voorschriften en besluiten zijn neergelegd; en

g) op voorwaarde dat de producentenorganisatie de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten waar zij actief is, in kennis stelt van het volume van elk product waarover onderhandeld wordt.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met "producentenorganisatie" tevens "een unie van krachtens artikel 156, lid 1, erkende producentenorganisaties" bedoeld.

4. Voor de toepassing van lid 2, onder c), maakt de Commissie, voor de in lid 1 bedoelde producten, op de door haar passend geachte wijze de in de lidstaten geproduceerde hoeveelheid bekend.

5. In afwijking van lid 2, onder c), ook indien de daarin vastgestelde maxima niet worden overschreden, kan de in de tweede alinea van dit lid bedoelde mededingingsautoriteit, in individuele gevallen besluiten dat de onderhandelingen door de producentenorganisatie moeten worden heropend of dat niet door de producentenorganisatie mag worden onderhandeld, indien zij dit noodzakelijk acht om te voorkomen dat mededinging wordt uitgesloten of zij van oordeel is dat het product waarover onderhandeld wordt, wegens zijn specifieke kenmerken of voorgenomen gebruik tot een afzonderlijke markt behoort en deze collectieve onderhandeling betrekking zou hebben op meer dan 15 % van de nationale productie van die markt, of indien zij van oordeel is dat de doelstellingen van artikel 39 VWEU in gevaar worden gebracht.

Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt, met betrekking tot onderhandelingen over meer dan één lidstaat, door de Commissie genomen zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure. In andere gevallen wordt dit besluit genomen door de nationale mededingingsautoriteit van de lidstaat waarop de onderhandelingen betrekking hebben.

De in dit lid bedoelde besluiten worden pas van toepassing op de datum van kennisgeving van het besluit aan de betrokken ondernemingen.

Voor de toepassing van dit artikel geldt de definitie van "nationale mededingingsautoriteit" in artikel 149, lid 7, onder a).

6. De lidstaten waar de onderhandelingen als bedoeld in dit artikel plaatsvinden, brengen de Commissie op de hoogte van de toepassing van lid 2, onder g), en lid 5.