Art. 66 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Beheersautoriteit

Verordening (EU) nr. 1305/2013

1. De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het programma op doelmatige, doeltreffende en correcte wijze wordt beheerd en uitgevoerd, en zorgt er met name voor dat:

a) er een voldoende veilig elektronisch systeem is voor het registreren, bijhouden, beheren en rapporteren van statistische informatie over het programma en de uitvoering ervan met het oog op monitoring en evaluatie, en in het bijzonder informatie die nodig is om de voortgang naar de vastgestelde doelstellingen en prioriteiten te monitoren;

b) de Commissie uiterlijk op 31 januari en 31 oktober van elk jaar van het programma relevante indicatorgegevens ontvangt over de voor financiering geselecteerde concrete acties, met inbegrip van informatie over output en financiële indicatoren;

c) de begunstigden en de andere bij de uitvoering van concrete acties betrokken instanties:

i) worden geïnformeerd over hun verplichtingen die uit de toegekende steun voortvloeien, en voor alle transacties betreffende de concrete actie hetzij een afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code gebruiken;

ii) op de hoogte zijn van de voorschriften inzake de verstrekking van gegevens aan de beheersautoriteit en inzake de registratie van de output en de resultaten;

d) de in artikel 55 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde voorafgaande evaluatie strookt met het evaluatie- en monitoringsysteem en dat deze wordt aanvaard en ingediend bij de Commissie;

e) het in artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1303 2013 bedoelde evaluatieplan voorhanden is, dat de in artikel 57 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde ex-post programma-evaluatie wordt uitgevoerd binnen de in die verordening vastgestelde termijnen, dat die evaluaties in overeenstemming zijn met het monitoring- en evaluatiesysteem en dat deze worden ingediend bij het toezichtcomité en de Commissie;

f) het toezichtcomité de nodige informatie en documenten ontvangt om toezicht op de uitvoering van het programma te kunnen uitoefenen in het licht van de specifieke doelstellingen en prioriteiten ervan;

g) het jaarverslag over de uitvoering wordt opgesteld, met inbegrip van geaggregeerde monitoringtabellen, en dat dit verslag, na goedkeuring ervan door het toezichtcomité, wordt ingediend bij de Commissie;

h) het betaalorgaan in het bijzonder met betrekking tot de voor financiering geselecteerde concrete acties alle nodige gegevens over de toegepaste procedures en de verrichte controles ontvangt, voordat de betalingsopdrachten worden gegeven;

i) bekendheid wordt gegeven aan het programma, onder meer via het nationale netwerk voor het platteland, door potentiële begunstigden, beroepsorganisaties, de economische en sociale partners, organisaties voor de bevordering van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de betrokken niet-gouvernementele organisaties, met inbegrip van milieuorganisaties, te informeren over de door het programma geboden mogelijkheden en over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot de financiering in het kader van het programma, alsook door de begunstigden van de bijdrage van de Unie en het brede publiek te informeren over de rol van de Unie in het programma.

2. De lidstaat of de beheersautoriteit mag een of meer intermediaire organen aanwijzen, met inbegrip van plaatselijke autoriteiten, organen voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties, voor het beheer en de uitvoering van de concrete acties voor plattelandsontwikkeling.

Indien een deel van de taken van de beheersautoriteit wordt gedelegeerd aan een andere instantie, behoudt de beheersautoriteit er de volledige verantwoordelijkheid voor dat de gedelegeerde taken doelmatig en correct worden beheerd en vervuld. De beheersautoriteit zorgt ervoor dat er passende bepalingen zijn om de andere instantie in staat te stellen alle nodige gegevens en informatie voor de uitvoering van deze taken te verkrijgen.

3. Indien een thematisch subprogramma als bedoeld in artikel 7, is opgenomen in het plattelandsontwikkelingsprogramma, mag de beheersautoriteit een of meer intermediaire organen, waaronder plaatselijke autoriteiten, plaatselijke groepen of niet-gouvernementele organisaties, aanwijzen voor het beheer en de uitvoering van de strategie. Lid 2 is in dit geval van toepassing.

De beheersautoriteit zorgt ervoor dat acties en outputs van dit thematische subprogramma afzonderlijk worden geïdentificeerd voor de toepassing van het in artikel 67 bedoelde monitoring- en evaluatiesysteem.

4. Onverminderd de rol van de betaalorganen en andere instanties als vermeld in Verordening (EU) nr. 1306/2013, kan, indien een lidstaat meer dan een programma heeft, een coördinatieorgaan worden aangewezen dat moet zorgen voor consistentie in het beheer van de middelen en voor een schakel tussen de Commissie en de nationale beheersautoriteiten.

5. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin uniforme voorwaarden worden vastgelegd voor de toepassing van de in lid 1, onder i), bedoelde vereisten inzake voorlichting en publiciteit.