Art. 41 Verordening (EU) nr. 1303/2013, Betalingsverzoeken die uitgaven voor financieringsinstrumenten omvatten
Verordening (EU) nr. 1303/2013
1. Met betrekking tot de in artikel 38, lid 1, onder a), bedoelde financieringsinstrumenten, en de in artikel 38, lid 1, onder b), bedoelde financieringsinstrumenten die in overeenstemming met artikel 38, lid 4, onder a) en b), worden uitgevoerd, worden gedurende de in artikel 65, lid 2, neergelegde subsidiabiliteitsperiode (de 'subsidiabiliteitsperiode') gefaseerde aanvragen gedaan voor tussentijdse betaling van programmabijdragen aan het financieringsinstrument overeenkomstig de volgende voorwaarden:
a) het bedrag van de programmabijdrage aan het financieringsinstrument is per aanvraag voor tussentijdse betaling die tijdens de subsidiabiliteitsperiode wordt gedaan, niet hoger dan 25 % van het totale bedrag aan programmabijdragen dat krachtens de financieringsovereenkomst voor het financieringsinstrument is vastgelegd, en dat overeenstemt met het bedrag aan uitgaven in de zin van artikel 42, lid 1, onder a), b), en d), dat naar verwachting tijdens de subsidiabiliteitsperiode zal worden besteed. De aanvragen voor tussentijdse betaling die na de subsidiabiliteitsperiode worden ingediend omvatten het totale bedrag aan subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 42;
b) het bedrag per aanvraag voor tussentijdse betaling als bedoeld in dit lid, onder a), is niet hoger dan 25 % van het totale bedrag aan nationale medefinanciering zoals bedoeld in artikel 38, lid 9, dat naar verwachting tijdens de subsidiabiliteitsperiode aan het financieringsinstrument, of op het niveau van de eindontvangers in de zin van artikel 42, lid 1, onder a), b) en d), zal worden besteed;
c) verdere aanvragen voor tussentijdse betaling die tijdens de subsidiabiliteitsperiode worden ingediend, worden uitsluitend gedaan:
i) wat de tweede aanvraag voor tussentijdse betaling betreft, wanneer ten minste 60 % van het in de eerste aanvraag begrepen bedrag aan een subsidiabele uitgave in de zin van artikel 42, lid 1, onder a), b) en d), is besteed;
ii) wat de derde en daaropvolgende aanvragen voor tussentijdse betaling betreft, wanneer ten minste 85 % van het in de voorgaande aanvraag begrepen bedrag aan een subsidiabele uitgave in de zin van artikel 42, lid 1, onder a), b) en d), is besteed;
d) in iedere aanvraag voor tussentijdse betaling die uitgaven met betrekking tot een financieringsinstrument omvat, worden het totale bedrag aan programmabijdragen aan het financieringsinstrument en de als subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 42, lid 1, onder a), b) en d), betaalde bedragen afzonderlijk opgegeven.
Bij de afsluiting van een programma omvat de aanvraag voor de betaling van het eindsaldo het totale bedrag aan subsidiabele uitgaven in de zin van artikel 42.
2. Met betrekking tot de in artikel 38, lid 1, onder b), bedoelde financieringsinstrumenten die overeenkomstig artikel 38, lid 4, onder c), ten uitvoer worden gelegd, omvatten de aanvragen voor tussentijdse betaling, en voor de betaling van het eindsaldo het totaalbedrag van de betalingen die de managementautoriteit heeft verricht voor investeringen in eindontvangers in de zin van artikel 42, lid 1, onder a) en b).
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 149 gedelegeerde handelingen vast te stellen om voorschriften vast te stellen voor de intrekking van betalingen aan financieringsinstrumenten en voor de hieruit volgende aanpassingen van betalingsaanvragen.
4. De Commissie stelt, teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, uitvoeringshandelingen vast om de modellen vast te leggen die moeten worden gebruikt, wanneer samen met de betalingsaanvragen aan de Commissie bijkomende informatie betreffende financieringsinstrumenten wordt ingediend. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 150, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.