Art. 15 Verordening (EU) nr. 1290/2013, Selectie- en gunningscriteria

Verordening (EU) nr. 1290/2013

1. De ingediende voorstellen worden geëvalueerd aan de hand van de volgende selectie- en gunningscriteria:

a) excellentie;

b) effect;

c) kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering.

2. Op voorstellen voor acties inzake grensverleggend onderzoek van de Europese Onderzoeksraad (ERC) is uitsluitend het in lid 1, onder a), bedoelde criterium van toepassing.

3. Bij voorstellen voor innovatieacties kan men het in lid 1, onder b), bedoelde criterium zwaarder laten meewegen.

4. In het werkprogramma of werkplan worden nadere gegevens over de in lid 1 genoemde gunningscriteria opgenomen, evenals specifieke wegingen en drempels.

5. De Commissie neemt de mogelijkheid van een indieningsprocedure in twee stappen, zoals voorzien door Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en Verordening (EU) nr. 1268/2012, waar passend en indien dit strookt met de doelstellingen van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen.

6. Voorstellen worden gerangschikt aan de hand van de evaluatieresultaten. De selectie vindt plaats op basis van deze rangschikking.

7. De evaluatie wordt uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen.

8. In het geval van een juridische entiteit als bedoeld in artikel 11, lid 2, of in andere naar behoren gerechtvaardigde uitzonderlijke gevallen, kan voor de uitvoering van de evaluatie worden afgeweken van lid 7. Voor elke dergelijke evaluatie verstrekt de Commissie de lidstaten gedetailleerde informatie over de evaluatieprocedure die is gebruikt en de resultaten ervan.

9. In gevallen waarin de gevraagde Uniefinanciering voor de actie minimaal 500 000 EUR bedraagt, verricht de Commissie of het desbetreffende financieringsorgaan op een met het nationale recht verenigbare wijze een ex-antecontrole van de financiële capaciteit van uitsluitend de coördinatoren. Bovendien controleert de Commissie of het desbetreffende financieringsorgaan de financiële capaciteit van de coördinator of van andere deelnemers telkens wanneer er op basis van de beschikbare informatie gegronde twijfel bestaat omtrent hun financiële capaciteit.

10. De financiële capaciteit wordt niet gecontroleerd in het geval van juridische entiteiten waarvan de levensvatbaarheid door een lidstaat of een geassocieerd land wordt gegarandeerd, of van hogere of secundaire onderwijsinstellingen.

11. De financiële capaciteit kan worden gegarandeerd door iedere andere juridische entiteit, waarvan het financiële vermogen op zijn beurt wordt gecontroleerd overeenkomstig lid 9.

Vorige artikelen

Volgende artikelen