Art. 13 Verordening (EU) nr. 1024/2013, Toestemming van een rechterlijke instantie
Verordening (EU) nr. 1024/2013
1. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor de in artikel 12, leden 1 en 2, bedoelde inspectie ter plaatse of voor de in artikel 12, lid 5, bedoelde bijstand de toestemming van een rechterlijke instantie vereist is, wordt die toestemming gevraagd.
2. Indien om toestemming als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt verzocht, toetst de nationale rechterlijke instantie het besluit van de ECB op zijn authenticiteit en gaat zij na of de voorgenomen dwangmaatregelen niet willekeurig zijn, noch buitensporig in verhouding tot het voorwerp van de inspectie. Bij haar toetsing van de evenredigheid van de dwangmaatregelen kan de nationale rechterlijke instantie de ECB om nadere uitleg vragen, in het bijzonder met betrekking tot de redenen die de ECB heeft om aan te nemen dat een inbreuk op de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, bedoelde handelingen heeft plaatsgevonden, en met betrekking tot de ernst van de vermoedelijke inbreuk en de aard van de betrokkenheid van de aan de dwangmaatregelen onderworpen persoon. De nationale rechterlijke instantie mag evenwel niet de noodzakelijkheid van de inspectie toetsen, noch de informatie in het dossier van de ECB opvragen. Uitsluitend het HvJ van de Europese Unie kan het besluit van de ECB op zijn rechtmatigheid toetsen.