Art. 11 Verordening (EU) nr. 1024/2013, Algemene onderzoeken
Verordening (EU) nr. 1024/2013
1. Met het oog op de uitvoering van de haar bij deze verordening opgedragen taken, en onder voorbehoud van andere in de desbetreffende Uniewetgeving gestelde voorwaarden, kan de ECB alle noodzakelijke onderzoeken voeren naar alle in artikel 10, lid 1, bedoelde personen die gevestigd zijn of zich bevinden in een deelnemende lidstaat.
Daartoe heeft de ECB het recht om:
a) de overlegging van documenten te verlangen;
b) de boeken en bescheiden van de in artikel 10, lid 1, bedoelde personen te onderzoeken en kopieën of uittreksels van die boeken en bescheiden te maken;
c) schriftelijke of mondelinge toelichting te krijgen van de in artikel 10, lid 1, bedoelde personen of hun vertegenwoordigers of personeelsleden;
d) alle andere personen te horen die daarin toestemmen, om informatie betreffende het onderwerp van een onderzoek te verzamelen.
2. De in artikel 10, lid 1, bedoelde personen worden onderworpen aan de onderzoeken die bij een besluit van de ECB worden ingeleid.
Wanneer een persoon het voeren van het onderzoek hindert, verleent de nationale bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de bedrijfsruimten in kwestie zijn gelegen, de nodige bijstand overeenkomstig de nationale wetgeving, onder meer door in de gevallen bedoeld in de artikelen 12 en 13 voor de ECB de toegang te faciliteren tot de bedrijfsruimten van de in artikel 10, lid 1, bedoelde rechtspersonen, zodat de genoemde rechten kunnen worden uitgeoefend.