Art. 452 Verordening (EU) nr. 575/2013, Gebruik van de IRB-benadering voor het kredietrisico
Instellingen die de risicogewogen posten volgens de IRB-benadering berekenen, maken de volgende informatie openbaar:
a) de toestemming van de bevoegde autoriteit voor het gebruik van de benadering of van overgangsbepalingen;
b) een toelichting op en overzicht van:
i) de structuur van de interneratingsystemen en de relatie tussen interne en externe ratings;
ii) het gebruik van interne ramingen in andere gevallen dan voor de berekening van de risicogewogen posten overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 3;
iii) het proces inzake het beheer en de erkenning van kredietrisicolimitering;
iv) de controlemechanismen die van toepassing zijn op de ratingsystemen, inclusief een beschrijving van de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid daarvan, en de toetsing van deze systemen;
c) een afzonderlijke beschrijving van het interneratingproces, voor de volgende categorieën blootstellingen:
i) centrale overheden en centrale banken;
ii) instellingen;
iii) ondernemingen, met inbegrip van kmo's, gespecialiseerde kredietverlening en gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen;
iv) particulieren en kleine partijen, voor elk van de categorieën blootstellingen waarmee de verschillende in artikel 154, leden 1 tot en met 4, genoemde correlaties overeenkomen;
v) aandelen;
d) de waarde van alle in artikel 147 gespecificeerde categorieën blootstellingen. Blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen waarvan de risicogewogen posten door de instellingen worden berekend op grond van eigen ramingen van LGD's of omrekeningsfactoren, en blootstellingen ten aanzien waarvan de instellingen geen gebruik maken van dergelijke ramingen, worden afzonderlijk vermeld;
e) ten aanzien van elk van de volgende categorieën blootstellingen: centrale overheden en centrale banken, instellingen, ondernemingen en aandelen, en ten aanzien van een toereikend aantal debiteurenklassen (inclusief wanbetaling) maken de instellingen de volgende gegevens openbaar om tot een zinvolle differentiatie van het kredietrisico te komen:
i) de totale blootstellingen (voor de categorieën centrale overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen), de som van de uitstaande leningen en de blootstellingswaarden van de onbenutte kredietlijnen; voor blootstelling met betrekking tot aandelen, het uitstaande bedrag;
ii) het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht;
iii) voor de instellingen die voor de berekening van de risicogewogen posten gebruik maken van eigen ramingen van omrekeningsfactoren, het bedrag van de onbenutte kredietlijnen en de naar blootstelling gewogen gemiddelde blootstellingswaarden voor alle categorieën blootstellingen;
f) voor de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen en voor alle in punt c), iv), vervatte categorieën, hetzij de gegevens als vermeld onder e) (in voorkomend geval op basis van pools), hetzij een analyse van de blootstellingen (uitstaande leningen en blootstellingswaarden van onbenutte kredietlijnen) ten aanzien van een toereikend aantal EL-graden om tot een zinvolle differentiatie van het kredietrisico te komen (in voorkomend geval op basis van pools);
g) de feitelijke aanpassingen van het specifieke kredietrisico in de voorgaande periode voor alle categorieën blootstellingen (voor particulieren en kleine partijen, voor elk van de categorieën als vervat in punt c), iv)) en in hoeverre hierbij sprake is van een verschil met het verleden;
h) een beschrijving van de factoren die van invloed zijn geweest op de verlieservaring in de voorgaande periode (heeft de instelling bijvoorbeeld met een hogere wanbetalingsgraad gekampt dan gemiddeld, of met hogere LGD's en omrekeningsfactoren dan gemiddeld);
i) de ramingen van de instelling, vergeleken met de feitelijke resultaten over een langere periode. Deze gegevens bevatten ten minste informatie over verliesramingen ten opzichte van feitelijke verliezen in alle categorieën blootstellingen (voor particulieren en kleine partijen, voor elk van de categorieën als vervat in punt c), iv)) en strekken zich over een voldoende lange periode uit om een zinvolle beoordeling van de prestaties van de interneratingprocessen voor alle categorieën blootstellingen mogelijk te maken (voor particulieren en kleine partijen, voor elk van de categorieën als vervat in punt c), iv)). In voorkomend geval splitsen de instellingen deze informatie verder uit om de resultaten voor PD's en, voor zover zij gebruik maken van eigen ramingen van LGD's en/of omrekeningsfactoren, voor LGD's en omrekeningsfactoren te vergelijken met de ramingen die in het kader van de in dit artikel vervatte openbaarmaking van kwantitatieve risicobeoordelingen zijn verstrekt;
j) voor alle in artikel 147 genoemde categorieën blootstellingen en voor elk van de categorieën blootstellingen waarmee de verschillende in artikel 154, leden 1 tot en met 4, genoemde correlaties overeenkomen:
i) voor instellingen die voor de berekening van de risicogewogen posten gebruikmaken van eigen ramingen van LGD's, de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD en PD in procenten voor elke relevante geografische locatie van kredietblootstellingen;
ii) voor instellingen die geen gebruik maken van eigen ramingen van LGD's, de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD in procenten voor elke relevante geografische locatie van kredietblootstellingen.
Voor de toepassing van letter c) heeft de beschrijving betrekking op de soorten blootstellingen die onder de desbetreffende categorie vallen, de definities, methoden en gegevens voor de raming en validatie van PD en, in voorkomend geval, LGD en omrekeningsfactoren, alsook op de aannames die bij de afleiding van deze variabelen worden gehanteerd; verder worden belangrijke afwijkingen van de definitie van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 vermeld, alsmede de segmenten in ruime zin waarop deze afwijkingen van invloed zijn.
Voor de toepassing van punt j) wordt met de relevante geografische locatie van kredietblootstellingen de blootstellingen bedoeld in de lidstaten waar aan de instelling een vergunning is verleend alsook in de lidstaten of derde landen waar een instelling activiteiten verrichten door middel van een bijkantoor of dochteronderneming.