Art. 338 Verordening (EU) nr. 575/2013, Eigenvermogensvereiste voor de correlatiehandelsportefeuille

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. De correlatiehandelsportefeuille bestaat uit securitisatieposities en n-th-to-default kredietderivaten die aan alle volgende criteria voldoen:

a) de posities zijn noch hersecuritisatieposities, noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van securitisatieblootstellingen die geen evenredig aandeel in de opbrengsten van een securitisatietranche bieden;

b) alle referentie-instrumenten zijn:

i) ofwel single-name-instrumenten, met inbegrip van single-namekredietderivaten, waarvoor een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;

ii) ofwel courant verhandelde indices, gebaseerd op deze referentie-entiteiten.

Een vraag- en aanbodmarkt wordt geacht te bestaan als er onafhankelijke aanbiedingen te goeder trouw zijn om te kopen en verkopen zodat er binnen één dag een prijs kan worden vastgesteld die redelijk gerelateerd is aan de prijs van de laatste verkoop of actuele concurrerende vraag- en aanbodnoteringen te goeder trouw, en de koop tegen die prijs binnen betrekkelijk korte tijd kan worden gesloten, overeenkomstig de handelsgewoonten.

2. Posities met een van de volgende waarden als referentie maken geen deel uit van de correlatiehandelsportefeuille:

a) een onderliggende waarde die kan worden toegewezen aan de blootstellingscategorie "blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen" of aan de blootstellingscategorie "blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed" in het kader van de standaardbenadering voor kredietrisico in de niet-handelsportefeuille van een instelling;

b) een vordering op een special purpose entity, die rechtstreeks of onrechtstreeks wordt gegarandeerd door een positie die op zich geen overeenkomstig lid 1 en dit lid toelaatbaar onderdeel van de correlatiehandelsportefeuille zou vormen.

3. Een instelling kan in de correlatiehandelsportefeuille posities opnemen die geen securitisatieposities of n-th-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in de portefeuille afdekken, mits er voor de instrumenten of de onderliggende waarden van het instrument een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat als beschreven in lid 1, laatste alinea.

4. Een instelling stelt het grootste van de volgende bedragen vast als het eigenvermogensvereiste voor specifiek risico voor de correlatiehandelsportefeuille:

a) het totale eigenvermogensvereiste voor specifiek risico dat slechts zou gelden voor de netto lange posities van de correlatiehandelsportefeuille;

b) het totale eigenvermogensvereiste voor specifiek risico dat slechts zou gelden voor de netto korte posities van de correlatiehandelsportefeuille.

Vorige artikelen

Volgende artikelen