Art. 256 Verordening (EU) nr. 575/2013, Additionele eigenvermogensvereisten voor securitisaties van revolverende blootstellingen met vervroegdeaflossingsbepalingen
1. Indien op een securitisatie van revolverende blootstellingen een vervroegdeaflossingsbepaling van toepassing is, berekent de initiërende instelling, overeenkomstig dit artikel, voor het risico dat haar kredietrisico toeneemt zodra de vervroegdeaflossingsbepaling van kracht wordt, een additionele risicogewogen post.
2. De instelling berekent een risicogewogen post met betrekking tot de som van de blootstellingswaarden van het belang van de initiator en van het belang van de beleggers.
Ten aanzien van securitisatiestructuren waarbij de gesecuritiseerde blootstellingen zowel revolverende als niet-revolverende blootstellingen omvatten, past de initiërende instelling de in de leden 3 tot en met 6 beschreven behandeling toe op dat deel van de onderliggende pool dat revolverende blootstellingen bevat.
De blootstellingswaarde van het belang van de initiator is de blootstellingswaarde van het notionele gedeelte van een in het kader van een securitisatie verkochte pool van opgenomen bedragen, waarvan de verhouding ten opzichte van het bedrag van de totale in het kader van de structuur verkochte pool het gedeelte van de kasstromen bepaalt die worden gegenereerd door de inning van aflossingsbetalingen op de hoofdsom en van rentebetalingen en andere daarmee samenhangende bedragen en die niet beschikbaar zijn om betalingen te verrichten aan degenen die posities in de securitisatie hebben. Het belang van de initiator is niet achtergesteld aan het belang van de beleggers. De blootstellingswaarde van het belang van de beleggers is de blootstellingswaarde van het resterende notionele gedeelte van de pool van opgenomen bedragen.
De risicogewogen post met betrekking tot de blootstellingswaarde van het belang van de initiator wordt berekend als een risicogewogen post voor een blootstelling die evenredig is met de gesecuritiseerde blootstellingen alsof die niet gesecuritiseerd waren.
3. Initiators van de volgende soorten securitisaties zijn vrijgesteld van de berekening van een additionele risicogewogen post overeenkomstig lid 1:
a) securitisaties van revolverende blootstellingen waarbij de beleggers volledig blijven blootstaan aan alle risico's in verband met toekomstige opnemingen door kredietnemers, zodat het risico dat met de onderliggende faciliteiten is verbonden, niet terugkeert naar de initiërende instelling, zelfs niet nadat zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die aanleiding geeft tot vervroegde aflossing;
b) securitisaties waarbij een vervroegdeaflossingsbepaling slechts van kracht wordt naar aanleiding van gebeurtenissen die geen verband houden met de prestaties van de gesecuritiseerde activa of de initiërende instelling, zoals belangrijke wijzigingen in belastingwetten of -regelgeving.
4. Voor een initiërende instelling die is onderworpen aan de berekening van een additionele risicogewogen post overeenkomstig lid 1 is de som van de risicogewogen posten ten aanzien van haar posities in het belang van de beleggers en de overeenkomstig lid 1 berekende risicogewogen posten niet groter dan het grootste van de twee volgende bedragen:
a) de risicogewogen posten berekend ten aanzien van haar posities in het belang van de beleggers;
b) de risicogewogen posten ten aanzien van de gesecuritiseerde blootstellingen die door een instelling die de blootstellingen aanhoudt zouden worden berekend alsof zij niet gesecuritiseerd waren voor een bedrag gelijk aan het belang van de beleggers.
De bij artikel 32, lid 1, voorgeschreven aftrek van eventuele nettowinsten die voortvloeien uit de kapitalisatie van toekomstige inkomsten wordt niet in het kader van het in de vorige alinea bedoelde maximumbedrag behandeld.
5. De risicogewogen post die overeenkomstig lid 1 moet worden berekend, wordt bepaald door de blootstellingswaarde van het belang van de beleggers te vermenigvuldigen met het product van de passende omrekeningswaarde als bedoeld in de leden 6 tot en met 9 en het gewogen gemiddelde risicogewicht dat van toepassing zou zijn op de gesecuritiseerde blootstellingen indien zij niet gesecuritiseerd waren.
Een vervroegdeaflossingsbepaling wordt als gecontroleerd beschouwd indien alle volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de initiërende instelling beschikt over een passend eigenvermogens/liquiditeitsplan om ervoor te zorgen dat zij in geval van vervroegde aflossing over voldoende eigen vermogen en liquiditeiten beschikt;
b) gedurende de gehele transactie wordt een evenredige verdeling tussen het belang van de initiërende instelling en het belang van de beleggers toegepast met betrekking tot rentebetalingen en aflossingen op de hoofdsom, uitgaven, verliezen en inningen op basis van het saldo van de uitstaande kortlopende vorderingen op een of meer referentiepunten tijdens iedere maand;
c) de aflossingsperiode wordt toereikend geacht om 90 % van de totale schuld (belang van de initiator en belang van de beleggers) die aan het begin van de vervroegdeaflossingsperiode uitstond af te lossen of als in wanbetaling in aanmerking te nemen;
d) het terugbetalingstempo is niet hoger dan bij lineaire aflossing gedurende de in punt c) beschreven periode het geval zou zijn.
6. Ten aanzien van de onder een vervroegdeaflossingsbepaling vallende securitisaties van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen welke niet gecommitteerd zijn en welke onvoorwaardelijk en zonder voorafgaande kennisgeving opzegbaar zijn, vergelijken de instellingen, wanneer de vervroegde aflossing afhankelijk is gesteld van een daling van de overgebleven rentemarge tot een bepaald niveau, het driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge met het niveau waarop deze marge moet worden ingesloten.
Indien het insluiten van de overgebleven rentemarge niet door de securitisatie wordt voorgeschreven, ligt het insluitingsniveau 4,5 procentpunt hoger dan het niveau waarop tot vervroegde aflossing wordt overgegaan.
De toe te passen omrekeningsfactor wordt bepaald door het niveau van het feitelijke driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge als weergegeven in tabel 2.
Tabel 2
Securitisaties die onder een gecontroleerde vervroegdeaflossingsbepaling vallen
Securitisaties die onder een niet-gecontroleerde vervroegdeaflossingsbepaling vallen
Driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge
Omrekeningsfactor
Omrekeningsfactor
Boven niveau A
0 %
0 %
Niveau A
1 %
5 %
Niveau B
2 %
15 %
Niveau C
10 %
50 %
Niveau D
20 %
100 %
Niveau E
40 %
100 %
waarbij
a) ‧niveau A‧ een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 133,33 % maar niet lager dan 100 % van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
b) ‧niveau B‧ een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 100 % maar niet lager dan 75 % van dat insluitingsniveau;
c) ‧niveau C‧ een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 75 % maar niet lager dan 50 % van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
d) ‧niveau D‧ een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 50 % maar niet lager dan 25 % van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
e) ‧niveau E‧ een niveau van overgebleven rentemarges inhoudt dat lager is dan 25 % van het insluitingsniveau.
7. Als op securitisaties van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die niet-gecommitteerd zijn en onvoorwaardelijk, zonder opzegtermijn, kunnen worden opgezegd, een vervroegdeaflossingsbepaling van toepassing is, en de vervroegdeaflossingsbepaling van kracht wordt door een kwantitatieve waarde die met een ander element dan het driemaandsgemiddelde van de overgebleven marge verband houdt, kunnen de instellingen, met toestemming van de bevoegde autoriteiten, een behandeling toepassen die nauw aansluit bij de in lid 6 voorgeschreven behandeling, voor het bepalen van de aangewezen omrekeningswaarde. De bevoegde autoriteit verleent toestemming indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) die behandeling is passender omdat de instelling een kwantitatieve meting kan instellen die, ten aanzien van de kwantitatieve waarde waardoor de vervroegdeaflossingsbepaling van kracht wordt, gelijkwaardig is met het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
b) die behandeling leidt tot een meting van het risico dat het kredietrisico waaraan de instelling is blootgesteld, toeneemt zodra de vervroegdeaflossingsbepaling van kracht wordt, die even voorzichtig is als berekening overeenkomstig lid 6.
8. Voor alle andere securitisaties die onder een gecontroleerde vervroegdeaflossingsbepaling van revolverende blootstellingen vallen, geldt een omrekeningsfactor van 90 %.
9. Voor alle andere securitisaties die onder een niet-gecontroleerde vervroegdeaflossingsbepaling van revolverende blootstellingen vallen, geldt een omrekeningswaarde van 100 %.