Art. 152 Verordening (EU) nr. 575/2013, Behandeling van blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. Als blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's voldoen aan de criteria van artikel 132, lid 3, en de instelling op de hoogte is van alle of een deel van de onderliggende blootstellingen van de icb, kijkt de instelling naar die blootstellingen voor de berekening van de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de in dit hoofdstuk vermelde methoden.

Als een onderliggende blootstelling van de icb zelf een blootstelling in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een andere icb is, mag de eerste instelling ook naar de onderliggende blootstellingen van die andere icb kijken.

2. Indien de instelling niet voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik van de in dit hoofdstuk beschreven methoden voor alle of een deel van de onderliggende blootstellingen van de icb, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:

a) voor blootstellingen die onder de in artikel 147, lid 2, punt e), bedoelde categorie blootstellingen in aandelen vallen, passen de instellingen de eenvoudige risicogewichtbenadering van artikel 1550, lid 2, toe;

b) bij alle overige in lid 1 bedoelde onderliggende blootstellingen passen de instellingen de in hoofdstuk 2 vastgestelde standaardbenadering toe, met inachtneming van het volgende:

i) bij blootstellingen waarvoor een bepaald risicogewicht voor blootstellingen zonder rating geldt of waarvoor de kredietkwaliteitscategorie geldt die voor een bepaalde categorie blootstellingen de hoogste risicoweging oplevert, wordt het risicogewicht vermenigvuldigd met de factor 2, maar bedraagt dit gewicht niet meer dan 1 250 %;

ii) bij alle overige blootstellingen wordt het risicogewicht vermenigvuldigd met een factor 1,1 en bedraagt dit gewicht ten minste 5 %.

Als de instelling niet in staat is om voor de toepassing van punt a) een onderscheid te maken tussen blootstellingen in niet-beursverhandelde, beursverhandelde en overige aandelen, behandelt zij de betrokken blootstellingen als blootstellingen in overige aandelen. Indien die blootstellingen samen met de directe blootstellingen van de instelling in deze categorie blootstellingen niet wezenlijk zijn in de zin van artikel 150, lid 2, kan artikel 150, lid 1, worden toegepast, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor hun toestemming verlenen.

3. Als blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb niet voldoen aan de criteria van artikel 132, lid 3, of de instelling niet op de hoogte is van alle onderliggende blootstellingen van de icb of van de onderliggende blootstellingen die zelf een positie in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb zijn, kijkt de instelling naar deze onderliggende blootstellingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de in artikel 155, lid 2, beschreven eenvoudige risicogewichtbenadering.

Als de instelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen blootstellingen in niet-beursverhandelde, beursverhandelde en overige aandelen, behandelt zij de betrokken blootstellingen als blootstellingen in overige aandelen. Zij brengt blootstellingen die niet op aandelen betrekking hebben, onder in de categorie blootstellingen in overige aandelen.

4. Als alternatief voor de in lid 3 beschreven methode kunnen de instellingen overeenkomstig de in lid 2, onder a) en b), vermelde benaderingen zelf de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende blootstellingen van de icb berekenen en rapporteren of kunnen zij de volgende derden daartoe de opdracht geven:

a) de effectenbewaarinstelling of de financiële instelling van de icb op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij de effectenbewaarinstelling van de financiële instelling in bewaring geeft;

b) voor andere icb's, de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de icb-beheermaatschappij voldoet aan de in lid 132, lid 3, punt a), beschreven criteria.

De correctheid van de berekening wordt door een extern accountant bevestigd.

5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten instellingen kunnen toestaan gebruik te maken van de standaardbenadering als bedoeld in artikel 150, lid 1, op basis van lid 2, punt b) van dit artikel.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 30 juni 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Vorige artikelen

Volgende artikelen