Art. 22 Verordening (EU) nr. 168/2013, Voorschriften voor de functionele voertuigveiligheid
1. De fabrikanten zien erop toe dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere weggebruikers zo weinig mogelijk risico's op verwondingen lopen.
2. De fabrikant zorgt ervoor dat het voertuig gedurende de normale levensduur functioneel veilig blijft als het onder normale omstandigheden wordt gebruikt en volgens de aanbevelingen van de fabrikant wordt onderhouden. De fabrikant verstrekt in het informatiedossier een verklaring waarin wordt bevestigd dat de duurzaamheid van de systemen, voertuigdelen en uitrustingsstukken die essentieel zijn voor de functionele veiligheid, wordt gegarandeerd door de nodige tests en goed vakmanschap.
3. De fabrikanten waarborgen dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen II en VIII en aan de in een gedelegeerde handeling die wordt vastgesteld volgens lid 5 vastgelegde testprocedures en prestatie-eisen voldoen.
4. Onderdelen van voertuigen waarvan de risico's van elektrische aard vallen onder de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, zijn niet onderworpen aan Richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (27).
5. Om voor een hoog niveau van functionele veiligheid te kunnen zorgen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast betreffende de in bijlage II, onder B, vermelde specifieke voorschriften voor de functionele veiligheid van voertuigen en baseert zij zich, indien van toepassing, op de in bijlage VIII vermelde verhoogde functionele veiligheidsvereisten. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.
6. In een tweede fase stelt de Commissie uiterlijk 31 december 2020 overeenkomstig artikel 75 een gedelegeerde handeling vast teneinde de voorschriften inzake de normale levensduur en de tests betreffende de integriteit van de voertuigstructuur als vermeld in bijlage II, onder B 17), te harmoniseren.
7. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen betreffende het vastleggen van een model voor de verklaring van de fabrikant. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.