Art. 32 Richtlijn 2013/36/EU, Overgangsbepalingen

Richtlijn 2013/36/EU

1. In afwijking van artikel 28, lid 2, artikel 29, leden 1 en 3, en artikel 30 mogen de lidstaten de vergunning handhaven voor beleggingsondernemingen en onder artikel 30 vallende ondernemingen die op of vóór 31 december 1995 bestonden, en waarvan het eigen vermogen minder is dan de voor hen in artikel 28, lid 2, artikel 29, leden 1 en 3, of artikel 30 genoemde bedragen van het aanvangskapitaal.

Het eigen vermogen van dergelijke beleggingsondernemingen of ondernemingen mag niet kleiner worden dan het hoogste referentieniveau dat na 23 maart 1993 is berekend. Het referentieniveau is het daggemiddelde van het eigen vermogen, berekend over de zes maanden voorafgaand aan de datum van berekening. Dit referentieniveau wordt om de zes maanden berekend voor de overeenkomstige voorafgaande periode.

2. Indien de zeggenschap over een onder lid 1 vallende beleggingsonderneming of onderneming wordt verworven door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan degene die voordien de zeggenschap over de onderneming uitoefende op of vóór 31 december 1995, is het eigen vermogen van deze beleggingsonderneming of onderneming ten minste gelijk aan de in artikel 28, lid 2, artikel 29, leden 1 en 3, en artikel 30 gestelde bedragen, behalve in het geval van een eerste overdracht door vererving gedaan na 31 december 1995, onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en gedurende niet meer dan tien jaar na de datum van de overdracht.

3. Bij fusie tussen twee of meer beleggingsondernemingen of onder artikel 30 vallende ondernemingen, behoeft het eigen vermogen van de onderneming die het resultaat van de fusie is, niet de in de artikel 28, lid 2, artikel 29, lid 1 of lid 3, of artikel 30 gestelde bedragen te bereiken. Gedurende de periode dat de in artikel 28, lid 2, artikel 29, leden 1 en 3, of artikel 30 gestelde bedragen niet zijn bereikt, bedraagt het eigen vermogen van de uit de fusie ontstane onderneming echter niet minder dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde ondernemingen op het tijdstip van de fusie.

4. Het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en onder artikel 30 vallende ondernemingen mag niet kleiner worden dan de in artikel 28, lid 2, artikel 29, lid 1 of lid 3, of artikel 30, en in de leden 1 en 3 van dit artikel gestelde bedragen.

5. Indien de bevoegde autoriteiten het nodig achten, teneinde de solvabiliteit van dergelijke beleggingsondernemingen en ondernemingen te garanderen, dat voldaan wordt aan het in lid 4 gestelde eisen, zijn de leden 1, 2 en 3 niet van toepassing.