Art. 142 Richtlijn 2013/36/EU, Kapitaalconserveringsplan

Richtlijn 2013/36/EU

1. Indien een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, stelt zij een kapitaalconserveringsplan op en dient zij dit uiterlijk vijf werkdagen nadat zij heeft geconstateerd dat zij niet aan dat vereiste voldoet, bij de bevoegde autoriteit in, tenzij de bevoegde autoriteit een langere termijn toestaat, welke termijn ten hoogste tien dagen mag bedragen.

De bevoegde autoriteiten verlenen dergelijke toelatingen enkel op basis van de individuele situatie van een kredietinstelling en rekening houdend met de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

2. Het kapitaalconserveringsplan bevat de volgende gegevens:

a) schattingen van inkomsten en uitgaven en een opgave van de te verwachten balanspositie;

b) maatregelen ter verhoging van de kapitaalratio's van de instelling;

c) een plan en een tijdschema voor de verhoging van het eigen vermogen met het oog op de volledige naleving van het gecombineerde buffervereiste;

d) alle andere informatie die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht om de in lid 3 voorgeschreven beoordeling te maken.

3. De bevoegde autoriteit beoordeelt het kapitaalconserveringsplan en keurt het plan uitsluitend goed indien zij het aannemelijk acht dat de tenuitvoerlegging van het plan voor voldoende instandhouding of verhoging van het kapitaal zou zorgen opdat de instelling binnen een termijn die de bevoegde autoriteit passend oordeelt, aan haar gecombineerde buffervereisten kan voldoen.

4. Als de bevoegde autoriteit het kapitaalconserveringsplan niet overeenkomstig lid 3 goedkeurt, legt zij een of beide van het volgende op:

a) de instelling verplichten haar eigen vermogen binnen gestelde termijnen tot een bepaald niveau te verhogen;

b) gebruikmaken van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 102 om striktere beperkingen op uitkeringen vast te stellen dan die van artikel 141.