Art. 141 Richtlijn 2013/36/EU, Beperkingen op uitkeringen

Richtlijn 2013/36/EU

1. De lidstaten verbieden instellingen die aan het gecombineerde buffervereiste voldoen, dusdanige uitkeringen in verband met tier 1-kernkapitaal te verrichten dat dit kapitaal tot een peil zou worden teruggebracht dat niet langer aan het gecombineerde buffervereiste voldoet.

2. De lidstaten schrijven voor dat instellingen die niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoen, het maximaal uitkeerbare bedrag (Maximum Distributable Amount - MDA) overeenkomstig lid 4 berekenen en de berekende MDA aan de bevoegde autoriteit meedelen.

Indien de eerste alinea van toepassing is, verbieden de lidstaten die instellingen de volgende handelingen te stellen voordat zij het MDA berekend hebben:

a) een uitkering verrichten in verband met tier 1-kernkapitaal;

b) een verplichting aangaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan op het ogenblik dat de instelling niet aan de gecombineerde buffervereisten voldeed;

c) betalingen verrichten op instrumenten van het aanvullend tier 1-kapitaal.

3. Zolang een instelling niet ten minste aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, verbieden de lidstaten deze meer uit te keren dan het overeenkomstig lid 4 berekende MDA door het stellen van een van de in lid 2, onder a), b) en c), bedoelde handelingen.

4. De lidstaten schrijven voor dat de instellingen het MDA berekenen door de overeenkomstig lid 5 berekende som te vermenigvuldigen met de overeenkomstig lid 6 bepaalde factor. Het MDA wordt verminderd door elk van de in lid 2, tweede alinea, onder a), b) of c), bedoelde handelingen.

5. De in overeenstemming met lid 4 te vermenigvuldigen som bestaat uit:

a) tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet in het tier 1-kernkapitaal is opgenomen en die gemaakt is sinds het meest recente besluit over de uitkering van winst of een van de in lid 2, tweede alinea, onder a), b) of c), van dit artikel vermelde handelingen;

plus

b) eindejaarswinst die overeenkomstig artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet in het tier 1-kernkapitaal is opgenomen en die gemaakt is sinds het meest recente besluit over de uitkering van winst of een van de in lid 2, tweede alinea, onder a), b) of c), van dit artikel vermelde handelingen;

min

c) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in dit lid, onder a) en onder b), genoemde elementen werden aangehouden.

6. De factor wordt op de volgende wijze vastgesteld:

a) indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0;

b) indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het tweede kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,2;

c) indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het derde kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,4;

d) indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde eigenvermogensvereiste, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,6.

De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het gecombineerde buffervereiste worden als volgt berekend:

"Qn"

is het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.

7. De bij dit artikel vastgestelde beperkingen zijn uitsluitend van toepassing op betalingen die resulteren in een vermindering van het tier 1-kernkapitaal of in een vermindering van de winst, en indien opschorting van betaling of niet-betaling geen wanbetaling vormt en evenmin een voorwaarde is voor het inleiden van een procedure overeenkomstig de op de instelling toepasselijke insolventieregeling.

8. Indien een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet en voornemens is een deel van haar uitkeerbare winst uit te keren of een in lid 2, tweede alinea, onder a), b) en c), vermelde handeling te stellen, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis en verstrekt zij de volgende informatie:

a) het door de instelling aangehouden kapitaal, als volgt uitgesplitst:

i) tier 1-kernkapitaal;

ii) aanvullend tier 1-kapitaal;

iii) tier 2-kapitaal;

b) de tussentijdse en eindejaarswinst;

c) het overeenkomstig lid 4 berekende MDA;

d) de uitkeerbare winst die zij voornemens is als volgt te verdelen:

i) uitkeringen van dividenden;

ii) wederinkopen van aandelen;

iii) betalingen op instrumenten van het aanvullend tier 1-kapitaal;

iv) betaling van variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen, hetzij door het aangaan van een nieuwe verplichting tot betalen, hetzij vanwege een verplichting tot betalen die werd aangegaan op het ogenblik dat de instelling niet aan de gecombineerde buffervereisten voldeed.

9. De instellingen passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en het MDA nauwkeurig worden berekend, en zijn in staat op verzoek de nauwkeurigheid van deze berekening aan de bevoegde autoriteit aan te tonen.

10. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder een uitkering in verband met tier 1-kernkapitaal onder meer het volgende verstaan:

a) een betaling van dividenden in contanten;

b) een uitkering van volgestorte en niet-volgestorte bonusaandelen of van andere kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 26, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c) een aflossing of aankoop door een instelling van haar eigen aandelen of van andere kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 26, lid 1, punt a), van die verordening;

d) een terugbetaling van bedragen die zijn gestort in verband met kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 26, lid 1, punt a), van die verordening;

e) een uitkering van in artikel 26, lid 1, punten b) tot en met e), van die verordening bedoelde elementen.